Advertentie

Zitten depressies wel in ons brein?

©Filip Ysenbaert

Wie vandaag met een depressie kampt, krijgt pillen en therapieën die uit de jaren zestig stammen. Een Britse psychiater schuift een nieuw en radicaal idee naar voren: wat als depressie niet in het brein zit, maar in het bloed?

Het aantal werknemers dat langer dan een jaar thuiszit met psychische problemen, neemt snel toe. Vandaag zijn ze in ons land al met meer dan 136.000. Tegen 2030 wordt depressie wereldwijd de belangrijkste oorzaak van ziekteverzuim, verwacht de Wereldgezondheidsorganisatie. De kosten van mentale stoornissen bedragen in België volgens de OESO 20,7 miljard euro per jaar.

Toch weten we nog altijd bedroevend weinig over hoe een depressie werkt. Terwijl de geneeskunde reuzensprongen maakt in de behandeling van kanker, diabetes en hartaandoeningen, is de behandeling van depressies al dertig jaar onveranderd. De oorsprong van antidepressiva en psychotherapie ligt zelfs in de jaren zestig.

Het probleem is dat iedereen in de farma jaren op zoek is geweest naar de nieuwe Prozac, een middel dat moest werken voor iedereen.
Edward Bullmore, hoogleraar psychiatrie aan de universiteit van Cambridge

Maar wat als we al die tijd op de verkeerde manier naar de ziekte hebben gekeken? Met zijn boek ‘Het ontstoken brein’ wil Edward Bullmore, hoogleraar psychiatrie aan de universiteit van Cambridge, het debat reanimeren. Hij vraagt zich af of depressie wel enkel een zaak van het brein is, en of de oorzaak niet elders in het lichaam zit.

Bullmore raakte geprikkeld om anders te denken toen een reumapatiënte hem vertelde over haar uitputting, haar onrustige slaap, haar pessimistische gedachten en haar schuldgevoel. Vermoeidheid en depressie komen bij reumapatiënten vaak voor. Volgens ontstekingsspecialisten ligt dat aan de aard van de ziekte: reumatoïde artritis is chronisch, pijnlijk, ongeneeslijk en heeft een beperkte kans op verbetering. Bullmore keerde de stelling om: wat als de ontsteking zelf de depressie veroorzaakt? Wat als we om het mechanisme van depressie beter te begrijpen niet in het brein moeten zoeken, maar in het bloed?

Beeldvorming

Bullmore is een toponderzoeker in neuro-imaging, beeldvorming van hersenactiviteit via scanners. Die techniek leidde begin jaren negentig tot grote opwinding: eindelijk zouden we zien wat zich in het brein afspeelt. Maar ook die beelden gaven slechts een ruw idee, laat staan dat ze bruikbare informatie opleverden voor een betere behandeling van psychische aandoeningen.

Vandaag vallen zowat alle klachten van slaapstoornissen, stress en vermoeidheid in de depressiekorf. Misschien komt een echte depressie wel tien keer minder voor dan we denken.
Damiaan Denys, hoogleraar psychiatrie aan de Universiteit van Amsterdam

In de hoop elders op ideeën te stoten ging Bullmore in 2005 voor de farmagigant GSK werken. Maar vijf jaar later doekte GSK zijn onderzoeksprogramma naar geestelijke gezondheid op, wegens het uitblijven van resultaten. Ook andere grote farmabedrijven verloren hun interesse in psychiatrie en stopten met het onderzoek naar nieuwe antidepressiva.

‘Het probleem is dat iedereen in de farma jaren op zoek is geweest naar de nieuwe Prozac, een middel dat moest werken voor iedereen’, zegt Bullmore. ‘Dat is niet gelukt, waardoor enkele grote bedrijven uiteindelijk op kanker, diabetes of hartziekten gingen werken.’

Dat daar het afgelopen decennium wel veel vooruitgang is geboekt, wijt Bullmore aan de opmars van de immunologie, de kennis van de afweermechanismen in het lichaam. ‘In de behandeling van kanker is de grootste hoop nu gevestigd op vaccins en immuuntherapie. Ook in de betere behandeling van diabetes, reuma en een huidziekte als psoriasis heeft de kennis van het afweersysteem een centrale rol gespeeld. Daarnaast is de ontwikkeling van genetische tests erg succesvol, die kunnen voorspellen welke behandeling aanslaat bij welke patiënt.’

Hetzelfde moet nu gebeuren voor de psychiatrie, meent Bullmore. ‘We moeten op zoek naar biomarkers en bloedtests.’

Kantelpunt

Honderd jaar geleden was de psychiatrie al eens in de ban van de immuniteit, door de opmars van een vreemde ziekte die dementia paralytica werd genoemd. Patiënten voelden zich afwisselend euforisch en neerslachtig, en hadden last van persoonlijkheidswissels en waanbeelden. De Duitse dokter Julius Wagner-Jauregg ontdekte dat patiënten goed herstelden als hij ze besmette met malaria, wat gepaard gaat met hevige koortsaanvallen. Hij kreeg in 1927 de Nobelprijs voor zijn onderzoek.

30%
Medicatie
Zo’n 40 procent van de depressiepatiënten knapt helemaal op door klassieke medicatie, 30 procent voelt zich wat beter, de overige 30 procent merkt geen positief effect.

‘Men geloofde op dat moment heel sterk in de neurobiologie en de rol van het immuniteitssysteem’, zegt Damiaan Denys, hoogleraar psychiatrie aan de Universiteit van Amsterdam. ‘De hele psychiatrie was ervan overtuigd dat we binnen de kortste keren de oorzaken van schizofrenie en bipolaire stoornis onder de microscoop zouden kunnen zien.’ Dat bleek niet het geval, maar de interesse voor infecties bleef sluimeren.

Toch werden de eerste wetenschappers die een twintigtal jaar geleden het denkspoor opnieuw volgden, aanvankelijk argwanend bekeken. Men ging er namelijk van uit dat er een fysieke barrière bestond tussen de hersenen en het bloed waarin de proteïnes circuleren die ontstekingen kunnen veroorzaken, de cytokines.

Ratten

‘Ik heb in mijn opleiding geleerd dat het immuunsysteem en het brein twee aparte circuits zijn’, zegt Bullmore. ‘Intussen weten we dat dat niet klopt. Cytokines kunnen ontstekingseffecten tot in de hersenen hebben. Maar die dualistische visie, de overtuiging van de strikte scheiding van lichaam en geest, heeft de psychiatrie lang gemarginaliseerd.’

Vandaag bevindt de wetenschap zich op een kantelpunt. ‘De afgelopen vijf jaar heeft het bewijs zich opgestapeld: ontstekingen kunnen bij bepaalde groepen depressies veroorzaken. En ontstekingsremmende middelen hebben een antidepressieve werking’, zegt Bullmore.

Ratten die via een injectie met een bacterie een ontsteking krijgen, gaan zich depressief gedragen.

De gegevens waarop hij zijn stelling baseert, komen onder meer uit dierproeven. Ratten die via een injectie met een bacterie een ontsteking krijgen, gaan zich depressief gedragen. Ze mijden contact met soortgenoten en drinken minder van zoete vloeistoffen, zaken die ze doorgaans prettig vinden. Maar dat zijn ratten: het onderzoek kan niet worden herhaald bij proefpersonen omdat het onethisch is hen bewust te infecteren.

Ook de stelling dat anti-inflammatoire middelen mogelijk depressie kunnen aanpakken, is gebaseerd op indirect bewijs. Dat geeft Bullmore ook toe. ‘Het bewijs is vrij consistent, maar het stamt uit onderzoek naar de behandeling van immuunziektes zoals reuma. Ik ben ervan overtuigd dat het positieve effect niet het gevolg is van het fysieke herstel, maar dat de anti-inflammatoire middelen rechtstreeks de mentale gezondheid verbeteren.’ De eerste onderzoeken die het effect rechtstreeks willen meten, staan intussen wel in de steigers.

Oorzaak en gevolg

Bullmore schrijft het overtuigend op, maar zijn stelligheid lijkt voorbarig, al erkennen psychiaters ook een verband te zien. ‘Het is gevaarlijk om al te gemakkelijk oorzaak en gevolg te koppelen’, zegt Stephan Claes, diensthoofd psychiatrie in het UZ Leuven. Hij werkte zelf mee aan een Europees onderzoek naar ontstekingen en stemmingsstoornissen. ‘We vonden wel tientallen factoren die inflammatie verklaren: de leeftijd van de patiënt, bepaalde medicatie, het type aandoening. Het is vandaag onmogelijk de precieze parameters te onderscheiden.’

‘Iedereen krijgt wel eens een infectie en zo’n 17 à 18 procent van de bevolking voldoet op een bepaald moment aan de criteria voor depressie’, zegt hoogleraar Damiaan Denys. ‘Het komt zo vaak voor dat het lastig wordt beide zaken gescheiden te houden.’ Hetzelfde geldt voor antidepressiva, zegt hij. ‘We weten dat Prozac het immuunsysteem kan platleggen, veranderen zelfs. Vandaag slikken meer dan 1 miljoen mensen die middelen: wat is dan nog oorzaak en wat is gevolg?’

Bestseller

Ondanks die onduidelijkheid slaat het thema aan bij het grote publiek. De Engelse versie van Bullmores boek is een bestseller en kreeg veel media-aandacht. Voor patiënten die niet op de bestaande therapieën reageren, ongeveer een op de drie, biedt zijn hypothese hoop.

‘De reden voor dat enthousiasme is dat het in de psychiatrie aan een duidelijke visie ontbreekt over hoe het vak verder moet’, zegt Denys. ‘De behoefte aan nieuwe inzichten en medicijnen is zo groot dat ruimte ontstaat voor hypes.’

Antidepressiva zijn in een slecht daglicht komen te staan door de mogelijk gevaarlijke bijwerkingen en studies die de werkzaamheid in twijfel trekken. Vandaag slikken bijna 1,2 miljoen Belgen antidepressiva. Het gaat vooral om SSRI’s, selectieve serotonineheropnameremmers, zoals Prozac en Seroxat die in de hersenen inwerken op het serotonineniveau. ‘SSRI’s zijn in de jaren vijftig per toeval ontdekt, en niet op basis van theoretische kennis over de ziekte. We weten dat ze werken, maar we weten niet precies waarom’, zegt psychiater Stephan Claes.

Trauma's

Zo’n 40 procent van de patiënten knapt helemaal op door medicatie, 30 procent voelt zich wat beter, de overige 30 procent merkt geen positief effect. ‘Ook therapie werkt slechts voor een beperkte groep’, zegt Claes. ‘Maar ik geloof niet dat er binnen dertig jaar een pil bestaat die depressie bij iedereen geneest. Het blijft een aandoening van de geest, het blijft psychologie. Trauma’s spelen een rol, knooppunten uit het verleden. Het is nooit pillen óf praten, maar altijd een combinatie van de twee.’

Ook Denys, die in Nederland voorzitter is van de beroepsvereniging van psychiaters, tempert de verwachtingen over nieuwe medicatie. ‘De hersenen zijn nu eenmaal notoir ingewikkeld. Van het hart of de lever kennen we elke cel al lang, maar onlangs is nog een nieuwe hersencel ontdekt. Een oncoloog kijkt naar de tumorcel, een immunoloog naar een ontstekingscel. Dat kan de psychiater niet.’

Klein stukje kennis

Zolang het precieze biologische stukje niet is gedetecteerd, hangt het psychiatrisch onderzoek af van wat de dokter ziet of wat de patiënt vertelt. ‘Dat is altijd subjectief’, zegt Denys. ‘Zo wordt het heel lastig de diagnose goed af te bakenen. Vandaag vallen zowat alle klachten van slaapstoornissen, stress en vermoeidheid in de depressiekorf. Misschien komt een echte depressie wel tien keer minder voor dan we denken.’

Het aantal klassieke, ernstige psychiatrische stoornissen schommelt wereld-wijd en al eeuwenlang rond 4 à 6 procent. Denys verzet zich tegen de populaire gedachte dat het aantal mentale stoornissen sterk toeneemt. ‘Het kost mij als psychiater vier maanden om iemand van een depressie te genezen, maar in vijf minuten tijd kan ik driekwart van de mensen die bij mij komen een ziekte aanpraten. We zijn erg vatbaar voor de suggestie van psychische aandoeningen omdat de aandacht ervoor zo groot is.’

‘Ik zeg niet dat deze mensen niet lijden, maar hun klachten zijn niet noodzakelijk het gevolg van een psychische aandoening. Toch krijgen ze de diagnose depressie. Zo belandt het onderzoek in een vicieuze cirkel. Want als je in deze hele grote groep op zoek gaat naar het biologisch element, is de kans nog kleiner dat je iets vindt.’

Labs

Het is de verdienste van een wetenschappelijk zwaargewicht als Bullmore dat hij het geloof in de ontrafeling van het biologisch mechanisme achter depressie aanwakkert, en dat hij de farma-industrie ertoe aanzet om weer te investeren. Want de kloof tussen de ontwikkelingen in de labs en de psychiatrische praktijk dreigt erg groot te worden, waarschuwt Denys.

‘Twintig jaar geleden kon je als psychiater, met enige inspanning, nog vatten wat er in de genetica gebeurde op het vlak van beeldvorming en in de ontwikkeling van medicijnen. Vandaag is die kennis zo technologisch en gespecialiseerd dat het steeds moeilijker wordt aan te haken. Daardoor zijn we aangewezen op bedrijven, of op mensen die slechts een heel klein stukje kennis hebben.’

Een nieuwe generatie psychiaters weet steeds minder van neurowetenschappen en keert zich er zelfs van af, vreest Denys. ‘De focus in ons vak is sterk aan het verschuiven naar het sociale aspect. Een psychiater is in Engeland - en stilaan ook in Nederland - geen behandelaar meer maar een communitymanager, die in de wijken de levensomstandigheden probeert te verbeteren. De reguliere psychiater weet steeds minder van medicijnen en wat ze al dan niet kunnen. Dat is een heel groot probleem.’

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud