Advertentie
Advertentie

Aanvullende pensioenen zitten in wettelijk vacuum

Op 1 januari 2004 treden de eerste sectorpensioenplannen in werking die passen in de wet aanvullend pensioen (WAP). Sommige artikelen van de wet zijn al in werking getreden maar de sectorpensioenplannen kunnen pas echt van start gaan na de nodige koninklijke besluiten. De streefdatum is 1 januari 2004. De oude wet-Colla inzake de aanvullende pensioenen is al afgeschaft zodat een wettelijk vacuum heerst. Tussen de Controledienst voor de verzekeringen (CDV) en het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) is een modus vivendi gesloten waarbij nu al wordt rekening gehouden met de nieuwe wet. De nodige koninklijke besluiten nemen wordt het werk van de regering-Verhofstadt II. Sectorpensioenplannen bestonden al in het kader van de Fondsen voor Bestaanszekerheid (FBZ) maar door de wet aanvullende pensioenen (WAP) krijgen ze een sociaal en fiscaal wettelijk kader. Sociale sectorpensioenplannen, die in de nodige solidariteit voorzien, hebben het voordeel dat de betaalde premies buiten de loonnorm blijven en dat op de premies geen premieheffing moet worden betaald. Sectorpensioenfondsen worden tot nu toe geregeld door een algemeen verbindend verklaarde CAO, die sowieso voor de hele sector geldt. Bedrijven kunnen enkel afwijken van de verplichtingen van zo'n CAO als dat in de CAO is vastgelegd. Dan is sprake van de zogenoemde opting-outformule. Bedrijven kunnen in dat geval een eigen pensioenplan hebben op voorwaarde dat de regeling minimaal gelijkwaardig is aan wat sectoraal is afgesproken. 'Sommige sectorpensioenplannen zoals bij de technologiefederatie Agoria of de voedingsfederatie Fevia bevatten zo'n opting-outformule', zegt Arsene Carron, de directeur van de afdeling actuariele diensten van Deloitte & Touche. Arbeiders Het spreekt voor zich dat de pensioenproblematiek sterk aan bod komt tijdens de volgende tweejaarlijkse loononderhandelingen, zegt Arsene Carron. Als je kijkt naar de huidige penetratiegraad van het aanvullende bedrijfspensioen blijkt dat nog veel werk aan de winkel is. In de grote bedrijven geniet 80 procent van de bedienden van een aanvullend bedrijfspensioen tegen 40 procent in de middelgrote ondernemingen en 20 procent bij de kleine ondernemingen. De arbeiders, die traditioneel geen aanvullend bedrijfspensioen hebben, doen het vrij behoorlijk bij de grote ondernemingen. In die bedrijven heeft 30 procent van de arbeiders een aanvullend bedrijfspensioen tegen 10 procent bij de middelgrote en zo goed als niemand bij de kleine ondernemingen. Frank Vandenbroucke, de federale minister van Sociale Zaken in de paars-groene regering-Verhofstadt I wilde het aanvullende bedrijfspensioen absoluut democratiseren, zegt Arsene Carron. Van de bedienden uit de middelgrote en kleine ondernemingen en van de arbeiders in alle ondernemingen zal nu druk worden uitgeoefend om de sectorpensioenplannen in te voeren. Dat zullen allemaal sociale plannen zijn, met een belangrijk onderdeel solidariteit. Omdat het sociale plannen zijn, zijn geen heffingen van 4,4 procent verschuldigd op de premie. Met deze besparing wordt de solidariteitstoezegging gefinancierd, zegt Michael Mohr, vennoot bij Deloitte belasting- en juridische adviseurs. De sectorpensioenplannen zijn geen plannen met een vast toegezegd pensioenbedrag (te bereiken doel) maar plannen met een vaste premiebijdrage. Deze plannen zijn beter te budgetteren voor de werkgever. Hij weet dat het plan bijvoorbeeld 0,5 of 1 procent van de totale loonmassa zal kosten. Voor een plan met een vast toegezegd pensioenbedrag varieren de bijdragen naargelang de beleggingsopbrengsten van de aangelegde reserves. Rendement Een en ander betekent dat in een sectoraal pensioenplan met een vaste premie het risico van de beleggingsopbrensten bij de werknemers ligt, stipt Arsene Carron aan. In de praktijk geldt echter een minimumrendement van 3,75 procent op de betaalde persoonlijke bijdragen en 3,25 procent op de betaalde patronale bijdragen. Dit minimumrendement moet gerealiseerd zijn op het einde van de periode. 'Dat betekent dat het beleggingsrisico opnieuw verschuift naar de werkgever. Het sectorpensioenplan krijgt op die manier opnieuw de aard van een vast toegezegd pensioenbedrag', aldus Carron. De bestaande Fondsen voor bestaanszekerheid (FBZ) zullen zich moeten aanpassen aan de nieuwe wet. De FBZ zijn geen erkende pensioeninstellingen en kunnen bijgevolg geen sectorpensioenplan beheren. De FBZ betalen ook geen heffing op de bijdragen en worden niet gecontroleerd door de CDV. De FBZ moeten dus een nieuwe pensioeninstelling oprichten of een externe instelling zoals een verzekeraar of een pensioenfonds aanduiden die dat voor hen doet. KB