Advertentie
Advertentie

Alles kan beter

(tijd) - Het kwalitatieve deel van de studie verfijnde een aantal bevindingen en wierp soms duidelijk een nieuw licht op de cijfers. Gepolst naar de manier waarop opleiding wordt gezien en hoe erover wordt gecommuniceerd gaven veel ondernemingen te kennen dat zij opleidingen vooral zien als het onderhouden van innovatieve capaciteiten door te investeren in de competenties van medewerkers. In de andere gevallen beperkt opleiding zich louter tot wat nodig is om de taak van het ogenblik goed uit te voeren. In beide gevallen neemt de werknemer veelal het initiatief tot de opleiding. In de ondervraagde bedrijven werd er heel wat minder vanuit de top naar de werkvloer over opleidingen gecommuniceerd en leefde slechts zelden het gevoel dat opleiding overbodig was.Toch leerden interviews en discussiegroepen ook dat er nog een grote nood aan opleidingen bestaat, onder meer juist omwille van die innovatiegerichtheid van bedrijven. Het belang van opleiding staat meestal wel hoog aangeschreven en het maakt vaak zelfs impliciet deel uit van het veranderende commercieel beleid, dat steeds nieuwe competenties vergt. Maar dat leidt er nog niet vaak toe dat er een echt geïntegreerd en proactief beleid is ontwikkeld.Ook blijkt de houding van de vakbonden tegenover opleiding niet eenduidig. In sommige organisaties denken de vakbonden actief mee over het opleidingsbeleid en leggen zij daarover het oor te luisteren bij hun leden. In andere organisaties zijn ze op dat vlak heel wat minder actief. Hoe dan ook, men vindt in de meeste organisaties dat de vakbonden een actievere rol in de opleidingen te spelen hebben. Dat doen ze blijkbaar al wel op het ondernemingsoverstijgend niveau, sectoraal of intersectoraal. De ondernemingen vinden echter dat de syndicale aandacht daarbij te zeer gericht is op kwantiteit en niet genoeg op kwaliteit. Vakbonden blijken overigens op één lijn te staan met opleidingsverantwoordelijken als het erop aankomt te wijzen op een te grote nadruk op de opleiding van kaderleden. Beide vinden dat er meer aandacht moet gaan naar de opleiding van risicogroepen. De sectoraal georganiseerde opleidingen blijken in ondernemingen goed gekend te zijn, veel beter dan andere initiatieven, zoals de hulp bij de opstelling van opleidingsplannen of de opsporing van de opleidingsbehoeften. Vooral kleinere bedrijven zijn in dat bedje ziek. Meer promotie naar KMO's dringt zich op. Overigens verwachten de ondervraagde bedrijven dat de sectoren meer moeten doen dan opleiden en ondersteunen. Regelmatig komt de vraag terug naar een begeleiding bij het opstellen van dossiers voor de aanvraag van overheidssteun. Ook het inspelen op sectorspecifieke problemen zoals het tekort aan bepaalde arbeidskrachten verdient sectorale aandacht.Van de overheid verwachten bedrijven dat ze meer doet dan subsidies aanbieden en die zo toegankelijk mogelijk maken. Het beleid moet ook op niet financiële manier ondersteunend zijn. De krapte aan IT-kennis en aan ICT-geschoolden op de arbeidsmarkt noopt de overheid al tot om- en bijscholingsinitiatieven in deze richting, wat goed wordt onthaald. Maar er is meer nodig. De schoolopleidingen zouden wat beter mogen aansluiten bij de competenties en vaardigheden die het bedrijfsleven zoekt. Dat bedrijfsleven pleit er zelfs voor dat overheid eerder op dat vlak initiatieven zou nemen dan in de uitbouw van financiële tegemoetkomingen voor bedrijfsopleidingen. Overheid, pak het probleem aan de bron aan, lijkt de boodschap wel te zijn. Ten slotte blijkt samenwerking tussen ondernemingen inzake opleiding nog niet evident te zijn. Sommige zien er de voordelen niet van in, andere weten niet hoe ze ideeën en informatie omtrent opleidingen met andere ondernemingen kunnen uitwisselen. Het gevolg is dat er weinig wordt samengewerkt, al gebeurt hier en daar toch iets. WDB