Alles weggooien en opnieuw beginnen

Sinds De correcties door zowat iedereen als de nieuwe Great American Novel onthaald werd, is Jonathan Franzen een drukbezet man. Niettemin verontschuldigt hij zich uitvoerig voor zijn (verwaarloosbaar) late verschijning op de afspraak en blijkt hij een aanvankelijk behoedzame maar gaandeweg steeds enthousiastere gesprekspartner.Ik denk dat er op dit moment weinig schrijvers zijn die zo vaak worden gevraagd naar de rol van de literatuur en van de schrijver, niet alleen vanwege de hele Oprah-affaire, maar ook als reactie op 11 september. Beschouw je die verantwoordelijkheid als een voorrecht of een last?Jonathan Franzen: Als een verrassing, misschien? Ik denk dat ik voor zon 50 procent reageer zoals William Gaddis: Wat willen mensen van de schrijver dat ze niet in het boek vinden? Wat willen ze van de kunstenaar dat ze niet in het werk vinden? In een ideale wereld zou ik het werk graag voor zich laten spreken. Als ik het over andere dingen wil hebben, dan kan ik die kwijt in essays, journalistiek werk of recensies. Maar zo werkt de wereld nu eenmaal niet. Tegelijk is het een opluchting om, na negen jaar van wezenlijke afzondering, weer eens met echte mensen in contact te komen. Het is bemoedigend dat het de mensen zowaar kan schelen wat een schrijver te zeggen heeft over zo ongeveer alles. Ik geloof het ook niet helemaal. De grens tussen promotie en publiek optreden is, naar mijn gevoel, vaag; de meeste publieke optredens hebben een promotioneel aspect. Maar het is dus geen last. Op de een of andere manier geef ik gewoon telkens weer uiting aan mijn eigen enthousiasme over romans.Krijg je niet het gevoel dat het allemaal in de weg gaat zitten van je schrijven?Franzen: Ik had heel bewust besloten, voor dit boek uitkwam, dat ik zowat alles zou doen dat ze me maar konden vragen, want het was duidelijk dat er veel belangstelling zou zijn. Maar ik zou het niet kunnen doen voor ieder boek. Ik had het gevoel dat mijn eerste twee wat weinig aandacht hadden gekregen. Trouwens, wanneer zou ik anders de kans krijgen om eens naar Oslo te gaan? Is Europa Europees genoeg voor je, zoals Enid in De correcties het graag heeft? Ik stel je die vraag omdat De correcties in belangrijke mate over het verdwijnen van verschillen lijkt te gaan. Ik denk nu even aan Gary in de roman, die voorstelt een strategische nationale reserve van onnozelheid aan te leggen, omdat alles echt wel te veel op elkaar gaat lijken als zelfs de Midwest cool wordt.Franzen: De Zweden op het schip zeggen het ook: alles wordt meer en meer Amerikaans. Dat is natuurlijk niet nieuw: Claude Lévi-Strauss had het in dat verband al over culturele entropie. Het is vooral treurig voor schrijvers die teren op verschillen en regionale specificiteit. Maar zoals altijd gaf ik er in dit boek de voorkeur aan om de humor ervan in te zien; anders zou ik er alleen maar wanhopig van worden. Iets helemaal andersHad je van in het begin een brede, panoramische kijk op deze roman of ben je vertrokken van afzonderlijke verhalen?Franzen: Het boek had een lange en getormenteerde ontstaansgeschiedenis. Om het simpel te houden: ik had een grote sociale roman in gedachten, meer zoals mijn eerste twee boeken, in de trant van (William) Gaddis, Underworld (van Don DeLillo), Infinite Jest (van David Foster Wallace, een goede vriend van Franzen), waarin ik bepaalde aspecten van de wereld zou behandelen via een gecompliceerde plot. Uiteindelijk heb ik dat idee laten vallen, nadat ik het middelste hoofdstuk, over de cruise van Alfred en Enid, had geschreven. Ik had jaren geprobeerd om dat andere boek van de grond te krijgen en het cruise-hoofdstuk zou daar oorspronkelijk een klein deeltje van uitmaken, maar het werd iets helemaal anders. Na nog eens een jaar, waarin ik de rest van het boek probeerde op te krikken tot het niveau van dat kleine hoofstuk, besloot ik om alles gewoon weg te gooien en iets nieuws te schrijven in vijf novelle-achtige hoofdstukken. Toen ik de situaties, locaties en professionele milieus voor die stukken begon te kiezen, heb ik bewust nogal wat afstand gecreëerd, omdat ik niet wou dat ze allemaal over hetzelfde zouden gaan. Dus in die zin was het een breed opzet.Het is interessant om te horen dat je vertrekt van een bepaald professioneel milieu dat je wil gaan onderzoeken. Een van de opvallende kenmerken van veel Amerikaanse fictie lijkt me de gedetailleerde en vaak liefdevolle aandacht voor werk en alles wat daarbij komt kijken. Er is bijvoorbeeld een mooie scène in het boek over de schoonheid van een handgetekende blauwdruk voor een spoorwegemplacement. Merken we daar een zekere nostalgie naar zinvol werk? Ik denk daarbij ook aan de professionele integriteit van Alfred Lambert.Franzen: Persoonlijk ben ik niet nostalgisch naar zinvol werk, want ik was bezig met zinvol werk toen ik het boek schreef! Maar een personage als Chip, die de productieve, concrete arbeid van zijn vader vergelijkt met zijn eigen symbolische en uiteindelijk frauduleuze werk, voelt zo niet nostalgie dan toch een soort minderwaardigheid. Ik heb veel nagedacht tijdens het schrijven over mannen van mijn generatie en hoe ze zichzelf vergelijken met hun vaders. Ik denk dat onze vaders heel erg gedefinieerd werden door wat ze overdag deden. Het grootste deel van de tijd waren ze thuis niet aanwezig. Ze waren mannen door wat ze deden voor de kost. Een van de redenen waarom zelf-definitie een stuk moeilijker geworden is en ik wil hier absoluut geen verhaal ophangen over hoe moeilijk blanke mannen het hebben, maar er heerst niettemin een soort zelf-definitiecrisis is dat werk zoveel virtueler geworden is. Gary, bijvoorbeeld, doet niks anders dan het geld van andere mensen beheren. HeroïschHet woord niets komt in het boek bijna evenveel voor als correctie. Zo is er het verhaal van het meisje dat tijdens een zonsverduistering recht naar de zon kijkt en Enid zegt Ik stel niks voor als kok.Franzen: Ik ben helemaal niks. Ja.Ik las ergens dat je achteraf vond dat Enid misschien wel de heldin van het verhaal was, maar tegelijk lijkt Alfred me het meest te rebelleren tegen dat niets. Zou je kunnen zeggen dat hij eigenlijk de harde kern van het verhaal is? Zijn aandoening raakt iedereen.Franzen: Absoluut. Zijn ziekte (hij heeft Parkinson) veroorzaakt de belangrijkste incidenten in het boek. Als je het over helden wilt hebben: zijn einde is niet heroïsch (hij kwijnt weg in een ziekenhuis). Zijn voortdurende strijd om de dingen samen te houden, om een beetje waardigheid te bewaren, heeft wel iets heroïsch. Hij en Denise vormen voor mij één geheel. Ze zijn allebei erg op privacy gesteld. Hoewel het sociale leven van Denise een puinhoop is, is ze heel principieel als het om de familie gaat. Zij is degene die tegen Chip zegt dat hij naar huis moet komen voor de kerst. Haar taal doet me ook aan die van Alfred denken. Ze spreekt zoals ze is: heel gecontroleerd.Je lijkt Alfreds taal heel bewust zuinig en bijna preuts te houden: hij weigert bijvoorbeeld in therapeutentermen over zijn ziekte te spreken. Zijn pijn is ook heel anders dan die van zijn zoon Gary. Franzen: Ja, Gary creëert zijn pijn helemaal zelf. Denise en Alfred zijn de twee personages die het minste belachelijk zijn, als er al iemand in het boek is die niet belachelijk is. Daarmee bedoel ik dat ik niet om hen lach. Ik lach om de andere drie maar niet om Denise en Alfred. Alfred creëert situaties die pijnlijk zijn voor de anderen, maar zelf staat hij met zijn rug tegen de muur, wat helemaal niet grappig is. Uiteindelijk na alle problemen kwam De correcties tot stand in zon anderhalf jaar, maar tot op het einde, tot een paar weken voor ik het af had, was ik nog in alle staten: Ik weet niet waar dit boek over gaat! Ik weet niet waar het over gaat! Tenminste, ik wist wel waar het over ging maar ik zag de grote lijn, het grote verhaal, niet. Maar wat het boek eerlijk maakte, wat ervoor zorgde dat het geen vrijblijvende spielerei werd, was het feit dat Alfred een echte ziekte had, dat hij echt leed en dat hij in feite aan het sterven was. Op die manier is hij de basis en het anker. Zonder hem zou ik een zedenkomedie of zoiets geschreven hebben.PopulairJe hebt er vaak op gedrukt dat je vooral geen obscure schrijver wil zijn. Je wil serieuze literatuur schrijven en toch een breed publiek bereiken. Franzen: Ik geef daar nu niet meer om. Vroeger droomde ik van een breed publiek. Daarom koos ik voor mijn eerste twee romans iets dat nogal dicht bij het thriller-plot lag. Het waren boeken met een stevige plot en een heel regelmatig, thrillerachtig ritme: cliffhangers aan het eind van een hoofdstuk, met een soort constante baslijn van dingen die stonden te gebeuren. Op een bepaald moment, omdat die boeken ondanks alles toch geen groot publiek vonden, liet ik dat hele idee varen. Ik besloot het soort boek te schrijven dat ik zelf graag wilde lezen. Ik ben literair gevormd door de modernisten en naoorlogse Amerikaanse schrijvers, maar ik las eigenlijk geen literatuur voor ik naar de universiteit ging. Ik las Tolkien, sciencefiction, detectiveverhalen, toen ik op de middelbare school zat. Dat lees ik trouwens nog altijd graag. Ik zal eerder Raymond Chandler ter hand nemen dan Thomas Bernhard. Dus ik heb zon beetje een platte smaak. Nou ja, de roman was oorspronkelijk ook een populair medium.Twee schrijvers die ongeveer rond dezelfde tijd in de belangstelling kwamen zijn Dave Eggers en Marc Danielewski, die heel andere literatuur schrijven. Wat vind je van hun werk en hun pogingen om de grenzen van de roman te verkennen, iets wat jou misschien minder interesseert? Schrijven jullie vanuit verschillende kampen?Franzen: We zitten in verschillende kampen, ja. Ik voel wel een veel grotere verwantschap met Eggers dan met Danielewski. Een hartverscheurend verhaal is een boek dat ik met plezier gelezen heb. Ik denk dat de vorm van Eggers roman niet bepaald werd door een of andere berekening, maar gewoon door het feit dat hij bepaalde dingen kwijt wou en daarvoor een adequate vorm zocht. Het is een raar en vaak ook een irritant ding maar ik vind het wel authentiek. Danielewskis boek heb ik niet gelezen, of toch niet meer dan een paar bladzijden, en ik ben ook niet geneigd om verder te lezen. Wat ik gemeen heb met Eggers is dat ik geen geduld meer heb voor werk dat emotie uit de weg gaat. Ik weet niet of hij er echt in geslaagd is een emotionele band met de lezer te creëren, maar ik denk dat hij tenminste principieel afziet van ironie en formele afstandelijkheid en gelooft in het nastreven van emotionele directheid. Dat doe ik ook, op mijn eigen behoedzame manier. Er is een breed verzet tegen de voorgaande generatie, die van literaire spelletjes hield en heel erg vanuit het hoofd schreef. Vind je dat de roman die kant uit moet om te concurreren met andere vormen van culturele productie?Franzen: Het is geen kwestie van concurreren. Ik denk dat het een uitdrukking van hoop voor de leefbaarheid van de roman is. Vrees je echt voor de toekomst van de roman? De dood van de roman is al talloze keren aangekondigd. Franzen: Ja, ik was bezorgd. Er was een periode in het midden van de jaren negentig, toen er een soort triomfalisme heerste in Amerika tenminste en het leek alsof de overheersing van elektronische media, de psychofarmaceutica, de perfectionering van de consumptiemaatschappij, het gebrek aan een zinvol alternatief enzovoort een dystopische wereld aan het creëren waren. Voor mij is dat een wereld zonder romans. Maar uiteindelijk was dat een korte periode en het was ook geen toeval dat ik daar toen mee zat: ik had al vijf jaar geen goede fictie meer geschreven. Nu loop ik natuurlijk over van optimisme! Gert MORREELJONATHAN FRANZENDe correcties, vertaald door Marian Lameris, Gerda Baardman en Huub Groenenberg. 2001, Amsterdam, Prometheus, 504 blz., ISBN 90-446-0047-8.