Antwerpen, waar Duitsers honderd jaar geleden thuis waren

In 1910 woonden er in Antwerpen 20.000 Duitsers, ongeveer 6,6 procent van de bevolking. Deze uitgebreide Duitse kolonie speelde in de 19de en het begin van de 20ste eeuw economisch, cultureel en sociaal een eersterangsrol. De architecturale sporen van de rijke Duitse handelaars en industriëlen zijn in Antwerpen en de groene gordel rond de stad nog steeds zichtbaar. De Eerste Wereldoorlog gaf de bloeiende Duitse gemeenschap de doodsteek.De Duitse aanwezigheid in Antwerpen gaat terug tot de middeleeuwen. Reeds in de 13de eeuw waren er nauwe commerciële banden tussen Antwerpen en steden als Hamburg, Lübeck en Keulen. Vanaf het midden van de 15de eeuw openden diverse Duitse hanzesteden kantoren in Antwerpen. Vlak voor de herovering van Antwerpen door de Spaanse legers in 1585 waren de Duitsers de grootste buitenlandse groep in Antwerpen. De havenstad was immers het financiële en commerciële hart van de wereld en speelde ook op cultureel vlak een vooraanstaande rol. De sluiting van de Schelde in 1648 door de Nederlanders leidde tot een massale Duitse exodus. Pas na 1796, wanneer de Schelde weer openging, keerden de Duitsers terug.De uit Karlsruhe afkomstige broers Georg en Christian Kreglinger stichtten rond 1795 in Antwerpen het Handelshuis G & C Kreglinger, dat vooral actief was in de handel in koffie, wol, leder, tabak en andere uitheemse waren. Leden van de familie speelden de hele 19de eeuw een belangrijke rol, als directeur van het Antwerpse filiaal van de Nationale Bank van België, als voorzitter van de Banque Centrale Anversoise en ook in de eerste maatschappij voor elektriciteitsdistributie en in de Antwerpse Kamer van Koophandel.In 1800 vestigde de familie Grisar, die in 1680 vanuit Luik naar Duitsland was getrokken, zich in Antwerpen. Zij werd er actief als scheepsmakelaar en handelaar in huiden, leder en wol. De Grisars waren de oprichters van The Antwerp International Bell Telephone Company en participeerden in een rederij die vracht vervoerde tussen Antwerpen, Zuid-Amerika, Canada, Hamburg en Hull. De Nottebohms, uit Bielefeld, kwamen in 1807 in Antwerpen aan. Zij legden zich toe op de handel in suiker en wol, en stampten een rijstpellerij uit de grond. In 1853 waren de Nottebohms betrokken bij de oprichting van de Société Belge des Bateaux à Vapeur Transatlantiques, die met stoomboten de lijn Antwerpen-New York verzekerde.De tweede Duitse immigratiegolf volgde na de val van Napoleon (1815) en tijdens de periode van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. De handel met de Nederlandse kolonies in het Verre Oosten, de goede infrastructuur van de Antwerpse haven (Bonapartedok, 1811 en Willemsdok, 1822) en de relatief vrije handel trokken Duitse ondernemers aan. De scheiding van de Nederlanden in 1830 leidde tot een tijdelijke inzinking in de Duitse immigratie. De opening van de spoorwegverbinding tussen Antwerpen en Keulen in 1843 zorgde voor een nieuwe Duitse immigratiegolf.Na de Belgische onafhankelijkheid in 1830 streken een paar Duitse families (Bunge, Böcking, Osterrieth en Bennert) in Antwerpen neer die zich toelegden op de import van leder, wol en vleesextracten uit Zuid-Amerika en vooral dan Argentinië. Uit deze Duitse families ontstond de nog steeds bekende firma Liebig met haar Oxo-bouillons. Duitse families stonden ook aan de wieg van de eerste invoer van olie in België, van de eerste telefoonverbinding in Antwerpen (1879, tussen de kantoren van de firmas Grisar en Osterrieth) en van het transport van emigranten naar de Nieuwe Wereld (Steinmann). Het waren Duitsers die de rederij White Cross Line opstartten voor het vervoer over de Atlantische Oceaan.De Frans-Duitse oorlog van 1870 zorgde voor een opstoot van de activiteiten in de Antwerpse haven en van de immigratie van Duitsers. De familie Bracht, actief in de handel in ijzer, staal, cement en chemicaliën, streek rond 1870 in Antwerpen neer. Andere Duitse families die in deze periode aankwamen, zijn Von Bary (scheepvaart, spooraanleg en mijnprospectie in Kongo), Karcher (handel met Zuid-Amerika) en Speth (American Petroleum Company). Toen in 1885 koning Leopold II werd erkend als soeverein van de Onafhankelijke Kongostaat, stonden Duitse families uit Antwerpen te springen om Leopolds plannen te financieren in ruil voor handelsconcessies. Zij speelden een belangrijke rol in de koloniale handel met Kongo.In 1846 telde Antwerpen ongeveer 1.500 in Duitsland geboren inwoners. In 1910 waren er 20.000 Duitsers op een totale bevolking van 300.000, goed voor een tweede plaats na de Nederlanders, die met 27.000 waren. De Duitse kolonie had eigen cafés, bakkers, slagers, restaurants, boekhandels, geneesheren en apothekers. Ze organiseerde zelf ontspanning, werk, onderwijs en liefdadigheid, en ze drukte een zware stempel op het economische, sociale en culturele leven van de havenstad.Eind 19de eeuw waren er ruim vijftig Duitse verenigingen in Antwerpen. De Deutsche Turnverein, die zich meer bezighield met de organisatie van feesten dan met turnen, telde in 1912 circa 700 leden. Hoogtepunt was de voetbalinterland Duitsland-België van 1913. Germania hield zich bezig met de leniging van sociale noden, zoals arbeidsbemiddeling en huisvesting voor pas aangekomen Duitse immigranten. Hand in Hand ondersteunde via de eigen ziekenkas werkloze of zieke arbeiders. Andere verenigingen bekommerden zich om het lot van Duitse matrozen in de Antwerpse haven.De Duitse kolonie had haar eigen kranten, de Antwerpener Zeitung (1887-1893) en de Deutsche Anzeiger für Antwerpen (vanaf 1912, wekelijks op 1.000 exemplaren), en een eigen bibliotheek (Deutsche Volksbücherei). De Allgemeine Deutsche Schule bood lager en middelbaar onderwijs aan en had in 1890 een kleine 750 leerlingen. De lessen werden er gegeven in het Duits en het Frans, de taal van de internationale handel en de hogere burgerij. De minder bemiddelde Duitsers stuurden hun kinderen naar de Deutsche Evangelische Volksschule (276 leerlingen in 1911). Voor hoger onderwijs trokken de Duitsers naar het Institut Supérieur de Commerce dAnvers, de latere Handelshogeschool. In 1901 waren 474 van de 617 studenten niet-Belgen.De Duitsers, katholieken, joden en protestanten, hadden hun gebedshuizen. De Deutsche Evangelische Reformationsgemeinde telde op haar hoogtepunt 3.000 leden en deed aan materiële hulpverlening.De Duitse kolonie speelde een grote rol in het culturele mecenaat. Menige Duitse familie lag aan de basis van of sponsorde muziekverenigingen en literaire genootschappen. De Duitsers gaven actieve steun aan kunstenaars (zoals James Ensor, Vincent van Gogh, Emile Claus en Rik Wouters) en legden belangrijke verzamelingen aan. Opmerkelijk was dat de Duitse mecenassen zich openstelden voor nieuwe kunststromingen op een ogenblik dat het culturele conservatisme overheerste.De Stadsbibliotheek en het Plantin Moretus Museum danken hun uitgebreide collecties typografische werken uit de 16de en 17de eeuw van Christoffel Plantin en Jan Moretus aan een actie die in 1905 op het getouw werd gezet door de Duitse kolonie om te voorkomen dat een belangrijke Antwerpse boekenverzameling verkocht zou worden. Het museum Fritz Mayer-Van den Bergh in de Lange Gasthuisstraat, met werken van onder meer Teniers, Matsys en de familie Bruegel, ontsproot in 1901 aan een initiatief van de familie Mayer.Duitse families richtten in 1900 de Beerschot Athletic Club op. Zij waren ook actief in tientallen polo-, boot- en autoclubs en speelden een belangrijke rol in het bestuur van de Antwerpse zoo.De Duitse kolonie hield zich ook actief bezig met liefdadigheid: opvang van behoeftige en verlaten kinderen, van bejaarden en van werklozen, de strijd tegen de tuberculose. De familie Nottebohm richtte in 1901 de gelijknamige kliniek voor huidziekten in Berchem op. De voorganger van het Antwerpse OCMW mocht zich geregeld verheugen in Duitse schenkingen tot 50.000 en zelfs 100.000 frank, een fabelachtig bedrag. Op politiek vlak daarentegen speelden de Duitsers, ook al omdat slechts een klein deel van hen de Belgische nationaliteit had, een te verwaarlozen rol.De Duitse kolonie liet veel architecturale sporen na in Antwerpen en de groene gordel rond de stad. Het beeld van Brabo op de Grote Markt en dat van Jacob Jordaens op de Meir, respectievelijk van de beeldhouwers Jef Lambeaux en Jules Pecher, werden betaald met de 100.000 frank die August Nottebohm in 1883 bij testament aan de stad naliet voor de verfraaiing van het stadsbeeld. De familie Kreglinger nam de kosten op zich van de restauratie van verscheidene gildenhuizen op de Grote Markt.Ernest Osterrieth kocht in 1874 het 18de-eeuwse rococopaleis (Osterriethhuis) op de Meir. De zaal, die in het tweede binnenhof werd opgetrokken, diende voor concerten en voordrachten. Onder meer ontdekkingsreizigers Stanley (Kongo) en Amundsen (zuidpool) kwamen er over hun avonturen spreken.De rijke Duitse handelsfamilies waren ijverige bouwers. Menig herenhuis op de leien werd opgetrokken door Duitse families. Hun buitenverblijven bouwden zij in de groene rand, vooral dan in de ten noorden van Antwerpen gelegen gemeenten Brasschaat, Schoten en Kapellen, en in mindere mate in de zuidelijke en westelijke dorpjes Hove, Kontich, Borsbeek en Mortsel. Het 122 ha grote domein Voshol in Brasschaat was eigendom van de Osterrieths. De koninklijke familie verbleef er toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Twaalf hoveniers stonden het hele jaar rond in voor het onderhoud van het park. Andere domeinen, zoals Calesbergh, Oude Gracht, Heidehof, Middelbeek en Den Brandt, waren vlak voor de Eerste Wereldoorlog eveneens in handen van Duitse families.De Eerste Wereldoorlog betekende het einde van de Duitse kolonie in Antwerpen. Slechts een minderheid steunde de Duitse invasie van België, maar toch moesten alle Duitsers en Oostenrijkers na augustus 1914 het Belgische grondgebied verlaten. Omdat het gros van de Duitsers niet de Belgische nationaliteit had, kwam een grote exodus op gang. Duitse handelshuizen werden gesloten, huizen en bezittingen genaast en geplunderd. In 1920 telde Antwerpen nog slechts 1.700 Duitsers. Hun aantal en economische, sociale en culturele invloed zou nooit herstellen. CPGeert Pelckmans en Jan van Doorslaer - De Duitse kolonie in Antwerpen, 1796-1914 -2000, Kapellen, Uitgeverij Pelckmans en Belgisch-DeutscheGesellschaft Flandern,ISBN 90-289-2783-2