Advertentie
Advertentie

Automatische afbetaling staatsschuld werkt ook bij 60-procentnorm nog niet

Zoals een onderneming schuld terugbetaalt uit de groei van haar omzet en resultaten, zo zorgt ook de ekonomische groei voor een stuk automatische afbetalingskapaciteit van de overheidsschuld. In de normen van Maastricht heeft men het over maximumgrenzen van een uitstaande schuld van 60 procent van het BNP en een netto te financieren saldo dat 3 procent van het BNP mag bedragen. Waar komen die cijfers vandaan? De logika is niet zo moeilijk te begrijpen, maar is minder onschuldig dan op het eerste gezicht lijkt. Zelfs bij een schuldratio van 60 procent van het BNP zorgt een oprentingsvoet van 7 procent ervoor dat de nominale schuld na 10 jaar verdubbelt. Als het BNP in nominale termen eveneens verdubbelt, is er nog niet veel aan de hand. De schuld zal dan bij konstante belastingvoeten immers op 60 procent van dat eveneens verdubbelde BNP blijven. Anders wordt het als men met verschillende oprentingsvoeten te maken heeft (wat in de praktijk het geval is).In de realiteit gebeurt het inderdaad maar zelden dat de oprentingsvoet waartegen de schuld gefinancierd wordt en de oprentingsvoet van het nominale BNP (de nominale ekonomische groei) aan elkaar gelijk zijn. We zijn het ondertussen al een hele tijd gewend dat die nominale rente meestal hoger ligt dan de groei van het BNP. De kumulatieve gevolgen daarvan worden wel eens onderschat. Bij een inflatie van 2 tot 2,5 procent en een reële ekonomische groei van eveneens 2 tot 2,5 procent groeit het BNP jaarlijks met 4 tot 5 procent. Al naargelang de rentestand, laat dat bij schuldfinanciering door de overheid dus op courante basis jaarlijks een 'deficit' of een 'surplus' over. Op een aantal jaren zorgt dat, bij konstante belastingvoeten, onvermijdelijk voor een automatische groei of daling van de overheidsschuld.