Ballingschap en Nieuwe Vrijheid

Kunsthistoricus Piet Boyens heeft aan de drievoudige tentoonstelling Een zeldzame weelde, die vorig jaar te zien was in Gent, Deurle en Deinze, een vierde deel toegevoegd. De tentoonstelling, georganiseerd in het Gemeentehuis van Sint-Martens-Latem onder de titel Ballingschap en nieuwe vrijheid toont de evolutie van drie Vlaamse kunstenaars die tijdens de Eerste Wereldoorlog in Nederland in ballingschap waren gegaan: Frits van den Berghe, Gust de Smet en Jozef Cantré. Hun artistieke ontwikkeling wordt gevolgd van 1914 tot 1922.In het Gentse gedeelte van Een Zeldzame Weelde werd het artistieke klimaat omstreeks 1900 getoond, met de schilders Valerius de Saedeleer en Gustaaf van de Woestyne, de beeldhouwer George Minne en de dichter Karel van de Woestyne. Deze zogenoemde Eerste groep van Latem leunde dicht aan bij het symbolisme. In Deinze dan weer waren de neo-impressionistische doeken van Emile Claus en Leon de Smet te zien. In Deurle werd het rijpe expressionistische werk van Constant Permeke, Gust de Smet en Frits van den Berghe samengebracht. Die werken dateerden echter van na de Eerste Wereldoorlog, van de jaren 20. In de tentoonstelling Een Zeldzame Weelde werd het werk dat gemaakt was tijdens de oorlog zelf buiten beschouwing gelaten. Toch is het volgens Piet Boyens precies tijdens de periode van 1914 tot 1918 dat Frits van den Berghe (1883-1939) en Gust de Smet (1877-1943) een spectaculaire ontwikkeling hebben doorgemaakt. Het vierde deel Ballingschap en Nieuwe Vrijheid visualiseert de sprong voorwaarts die de Vlamingen tijdens hun Nederlandse ballingschap maakten. Er worden meer dan 70 werken geëxposeerd, vooral schilderijen, lino- en houtsneden, en tekeningen in houtskool.In Nederland was men vanaf 1910 veel gevoeliger voor moderne kunst dan in België, betoogt Boyens. De Nederlandse kunstenaars gingen zich herbronnen in Parijs en Keulen. In België bleef de kunst grotendeels hangen bij het neo-impressionisme. De Vlaamse kunstenaars ontdekten tijdens hun verblijf in Nederland de nieuwe kunststromingen, zoals kubisme, futurisme en expressionisme, en assimileerden deze wonderlijk snel. Het Stedelijk Museum in Amsterdam had toen al modern werk in huis, kunst van Breitner, Gestel, Sluijters, Toorop en Van Gogh. Bij hun bezoek in oktober 1914 aan het Stedelijk Museum in Amsterdam ontmoeten De Smet en Van den Berghe een oude vriend, de Antwerpse kunstcriticus André de Ridder (1888-1961). De Ridder zou later getuigen: Uren lang hebben we, Frits van den Berghe, Gustaaf de Smet en ikzelf, in de jaren 1914-1916 door de zalen van dit museum gekuierd, waar we ons blind keken op al de moderne meesterwerken welke we er mochten ontdekken op een ogenblik dat we van de evolutie der kunst van onze tijd alles behalve volledig op de hoogte waren.In Amsterdam en in Bergen-aan-Zee waren ook enkele vooruitstrevende kunstenaars actief, zoals Leo Gestel, Lodewijk Schelfout, Else Berg, Jan Sluijters, Piet van Wijngaerdt, Henri Le Fauconnier, Matthieu Wiegman en Charley Toorop. De Vlaamse kunstenaars maakten kennis met hun werk, en werden door hen bijzonder warm ontvangen. Vooral Leo Gestel (1881-1941) zorgde ervoor dat de introductie van de Vlamingen in het Amsterdamse kunstenaarsmilieu vlot verliep. In de tentoonstelling Ballingschap en Nieuwe Vrijheid is dan ook werk van enkele van die Nederlanders opgenomen.Boyens: Mede dankzij André de Ridder konden de Vlaamse schilders-vluchtelingen in mei 1916 exposeren in de toonzaal van tegelfabrikant Heystee aan de Herengracht in Amsterdam. Het Nederlandse publiek kon er meer dan zestig werken van De Smet en Van den Berghe zien. Toen al hadden beide kunstenaars het impressionisme verlaten. In de pers wees men op de groeiende invloed van de Franse schilder Henri Le Fauconnier. De Smet was overigens vanaf 1917 tot 1921 abonnee van het Duitse tijdschrift Das Kunstblatt. Via dit maandblad kon hij de evolutie van het expressionisme van nabij volgen. Het blad bevatte een uitvoerige, fotografische documentatie over de moderne kunst, zowel binnen als buiten Duitsland. Van Cantré, die in Nederland pas in 1918 aankwam, leerde Gust de Smet de techniek van de hout- en linosnede. Ook Frits van den Berghe kreeg in Nederland grafische lessen van Cantré.Na de oorlog zouden de Vlamingen niet meer omkijken naar het werk van hun Nederlandse gastheren. Rond 1920 was hun aandacht gericht op wat gebeurde in Brussel en Parijs. Hun beeldtaal was een eigen mengsel van kubisme en expressionisme geworden. Na heel wat omzwervingen keerden De Smet, Van den Berghe in juni 1922 definitief naar België terug. Jozef Cantré bleef nog tot het einde van de jaren twintig in Nederland.Gemeentehuis Sint-Martens-Latem, Dorp, 9830 Sint-Martens-Latem. Tot 6 oktober. Open van dinsdag tot vrijdag van 10 tot 12 uur en van 14 tot 18 uur, op zaterdag en zondag van 10 tot 18 uur. Toegang 5 euro. Catalogus beschikbaar. Rondleidingen mogelijk, tel. 09/282.48.29.De Oriënt in HingeneIn het jachtpaviljoen De Notelaar in Hingene loopt een tentoonstelling onder de titel De Oriënt in Hingene. Er worden prachtige Chinese behangsels en 18de-eeuwse deur- en schouwstukken getoond, afkomstig uit het nabijgelegen kasteel dUrsel. De kleurrijke wandbehangsels, die onlangs gerestaureerd werden, zijn versierd met personages, bloemen en vogels.Met de tentoonstelling geeft het Antwerpse provinciebestuur een eerste aanzet voor de herbestemming van het kasteel dUrsel. De geschiedenis van De Notelaar en het kasteel dUrsel zijn nauw met elkaar verbonden. De Notelaar was in het verleden het jachtpaviljoen van het kasteel. Samen vormen zij een goed bewaard voorbeeld van een 18de-eeuwse adellijke zomerresidentie. Het jachtpaviljoen en het park zijn al langer voor het publiek toegankelijk. Het kasteel is nog gesloten voor het publiek.Sinds 1994 is de provincie Antwerpen eigenaar van het kasteel. Omdat het kasteel bij aankoop reeds meer dan 20 jaar leegstond, was een grondige restauratie noodzakelijk. De buitenrestauratie is inmiddels voltooid. De binnenrestauratie duurt wellicht tot het najaar van 2005. Aan de restauratiewerken is grondig wetenschappelijk onderzoek voorafgegaan. Toch zijn er nog hiaten in de geschiedenis van het kasteel, dat tot 1973 bewoond was. Om ook de recente geschiedenis van het kasteel te reconstrueren, doet het Antwerpse provinciebestuur een oproep aan al wie informatie kan verschaffen over de vroegere inrichting van het kasteel en het domein, en over het leven op het kasteel dUrsel. Met deze informatie kan men terecht bij de cultuurdienst van de provincie Antwerpen, Koningin Elisabethlei 22, 2018 Antwerpen. Tel.: 03/240.64.17 en 03/240.64.11. Het ligt in de bedoeling van het kasteel een congrescentrum te maken, waar ook tentoonstellingen en concerten georganiseerd kunnen worden.Jachtpaviljoen De Notelaar, Notelarendreef 2, 2880 Hingene (Bornem). Tel.: 03/889.69.20. Tot 14 november. Elke dag open, behalve op vrijdag, van 14 tot 18 uur. Toegang 1,50 euro. Samenstelling: Bert POPELIER