Advertentie
Advertentie

Belgische interieurs

In Brussel loopt een belangrijke tentoonstelling over Belgische meubelontwerpen uit het verleden, onder de titel De goede of de slechte smaak? Belgische interieurs van de art nouveau tot de hedendaagse loft. Het eerste lid van de titel, De goede of de slechte smaak?, werd ontleend aan een in 1930 door de Belgische Werkliedenpartij georganiseerde tentoonstelling in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel. De bedoeling van die tentoonstelling was het publiek ertoe aan te zetten zijn overladen oude meubelen van de hand te doen, ten voordele van modern meubilair. In 1930 dacht men nog dat de goede smaak direct afhankelijk was van het praktische en functionele karakter van de gebruiksvoorwerpen en het meubilair. De huidige tentoonstelling bestaat uit twee delen. Het eerste deel geeft een overzicht van de evolutie van het Belgische meubilair vanaf de art nouveau tot de jaren 50. Het tweede deel toont creaties van Belgische designers vanaf het einde van de jaren 50 tot nu. Er worden meubelstukken en ensembles, maquettes, voorwerpen, plannen, tekeningen, fotos en documenten geëxposeerd in twee locaties, het nieuwe Museum voor Architectuur La Loge, en in de Fondation pour lArchitecture. Dat aan het nieuwe museum de naam La loge is toegevoegd, komt omdat in het gebouw vroeger een vrijmetselaarsloge gevestigd was.België heeft een cruciale rol gespeeld in de ontwikkeling van de art nouveau (1893-1902) met figuren als Horta, Hankar, Van de Velde en Serrurier-Bovy. Ook al vernieuwde Victor Horta de leefruimten en de esthetiek van het woonhuis, toch was de levenswijze er nog steeds die van de 19de eeuw, stijf en deftig. Daarentegen legde Henry van de Velde, in het huis gebouwd voor zichzelf te Ukkel tussen 1894 en 1895, de nadruk op de eenvoud en de warmte van het gezinsleven. Van 1905 tot 1911 bouwde de Oostenrijkse architect Jozef Hoffmann, lid van de Wiener Sezession, in Brussel het Palais Stoclet. Dat bouwwerk beïnvloedde Belgische architecten als Leon Sneyers, Paul Hamesse, Louis Herman de Koninck, Renaat Braem en Maxime Brunfaut duurzaam. Het snelgroeiende succes van de secessiestijl, gesteund door de realisaties van de school van Glasgow, droeg bij tot de neergang van de Belgische art nouveau.Na de Eerste Wereldoorlog raakten de ontwerpen van de Amerikaan Frank Lloyd Wright wijdbekend in Europa. Samen met het Italiaanse futurisme en de Nederlandse beweging De Stijl vonden ook Wrights opvattingen in België weerklank. De nieuwe ideeën werden verspreid door het Brusselse avant-garde blad 7 Arts, waarvan de gebroeders Bourgeois de motor vormden. In 1923 speelde de publicatie van Vers une architecture, geschreven door Le Corbusier, een beslissende rol in de formulering van een esthetiek van de soberheid, met het witte, naakte vlak. Er werd gezocht naar minimale en gestandaardiseerde oplossingen voor de woning van de gewone man. In België waren de protagonisten van deze architectuur van de ontmanteling De Koninck, Victor Bourgeois, Gaston Eysselinck, Gaston Brunfaut, Stanislas Jasinski en Josse Fransen.Tijdens het interbellum werd de art deco de nieuwe mode. Het huiselijke comfort werd vooropgesteld. Toen werden de centrale verwarming, indirecte verlichting, grammofoon en radio, stofzuiger en de koelkast in de woning geïntroduceerd. De keuken werd een huishoudelijk laboratorium dankzij de uitvinding van de Cubex-keuken in 1930. Architecten als Van de Velde, Blomme, Petit, Bourgeois en Jasinski bouwden comfortabele onderkomens met grote binnenruimten.Na de Tweede Wereldoorlog veranderde de mentaliteit. De meubelindustrie produceerde rationeel meubilair van goede kwaliteit aan toegankelijke prijzen. Het grote publiek bekeerde zich langzaam tot de moderne smaak. De Brusselse vereniging Formes Nouvelles speelde toen de rol van tussenpersoon tussen de ontwerpers zoals Willy van der Meeren, Jules Wabbes, Renaat Braem en Lucien Krol, en de fabrikanten zoals Tubax, Van den Berghe-Pauvers, Ballegeer, Defour en Belform.De jaren 60 en 70 waren de periode van het plastic. Het meubilair kreeg soms een humoristische of futuristische dimensie. Nieuwe materialen traden op de voorgrond, zoals plastic en plexiglas. In België concurreerde de meubelindustrie met het buitenlandse aanbod. Ontwerpers zoals Pieter de Bruyne en Emiel Veranneman reageerden daarop door zich te wenden tot het artisanale fabrikaat, terwijl anderen, zoals Claire Bataille en Paul Ibens, aan de fabrikanten meubels met bestudeerde vormen voorstelden. De oliecrisis van 1974 markeerde de ondergang van de tijd van het plastic. Een nieuw stilistisch eclecticisme verscheen, met ecologische invloeden en hightechtendenzen. De grenzen tussen design, mode, spektakel en cultuur vervaagden.De tentoonstelling in Brussel, met als curators Marc Hotermans en Thierry Belenger, brengt voorbeelden van al de genoemde stijlen. Bovendien worden in de zalen achtereenvolgens drie appartementen gereconstrueerd, met name uit de jaren 50-60, de jaren 70-80 en vandaag. De interieurs bevatten werken van Le Corbusier, Charlotte Perriand, Jean Prouvé, Charles Eames, Werner Panton, Aerts en Ramon, Sottsass, Raymond Loewy, Marc Held, Gregotti, Lucien Kroll, Jean Nouvel, Tom Dixon, Ron Arad en Marc Newson.Museum voor Architectuur - La Loge, en Fondation pour lArchitecture, Kluisstraat 86 en 55, 1050 Brussel. Tel. 02/642.24.80. Tot 11 augustus. Open van dinsdag tot zondag van 12 tot 18 uur, op woensdag tot 21 uur. Toegang 3 en 4 euro. Er zijn enkele lezingen gepland. Helaas is er geen catalogus uitgegeven.Bert POPELIER