Advertentie
Advertentie

Beroepsfederaties zijn de eerste economische partners

Recentelijk werd door de Federatie van Kamers voor Handel en Nijverheid van België het begrip economische partners gelanceerd. Het verwijst naar het zeer goed ingeburgerde begrip van de sociale partners, waarvan tegelijkertijd toch enige afstand wordt genomen. De vraag is of deze opdeling tussen economische en sociale partners wel zo zinvol is? Uiteindelijk gaat het om de rol van de bedrijfsorganisaties ten overstaan van de overheden. En wat dat betreft lopen het economische en het sociale vaak nogal door elkaar. Het is zeer moeilijk om daarin een onderscheid te maken. Nemen we het allicht meest bekende voorbeeld van de sociale onderhandelingen. De afsluiting van een CAO op sectorniveau is het resultaat van de sociale rol van een beroepsfederatie. Samen met de syndicale organisaties, die zelf ook sociale partners zijn, worden evenwichtige overeenkomsten onderhandeld. oor de ondernemingen is het beheersen van de (loon-)kosten steeds een prioritaire bekommernis. De ondernemingsvertegenwoordigers houden in de onderhandelingen eerder dan de syndicale organisaties rekening met economische overwegingen. Want voor de ondernemingen kunnen hogere kosten een bedreiging van hun concurrentiepositie inhouden. De vakbonden zullen er vooral voor ijveren om de werknemers zo veel mogelijk te laten deelnemen aan de economische vooruitgang. Hun bekommernissen zijn in eerste instantie sociaal. Dit voorbeeld moge duidelijk maken dat het economische en het sociale innig met elkaar verbonden zijn. En precies door die verbondenheid beschouwen de ondernemingen hun beroepsfederatie als hun eerste vertegenwoordiger op sociaal én op economisch vlak. Want harde materies zoals loonkosten, arbeidsvoorwaarden, fiscale en parafiscale druk, handelsbeleid, zijn topdossiers die de beroepsfederaties voor hun leden-ondernemingen behartigen. En die beroepsfederaties vindt men zowel op het niveau van de industriële sectoren (vaak met vele KMOs) zoals bijvoorbeeld Fabrimetal, Febeltex, als in de dienstensectoren zoals de Belgische Vereniging van Banken, Fedis (distributie), . Maar men vindt deze organisaties ook op het niveau van de kleinere bedrijven die vertegenwoordigd zijn in de schoot van bedrijvenorganisaties zoals bijvoorbeeld Unizo met haar sectorale afdelingen zoals Navetex, .De sectorale invalshoek is geen toeval. Ondernemingen die elkaars concurrenten zijn of aan elkaar toeleveren (bv. een garenproducent aan een wever) hebben gelijklopende gemeenschappelijke belangen en/of interesses. In de textielsector maar dit geldt ongetwijfeld ook voor de meeste andere sectoren is meer dan de helft van de toepasselijke sociale wetgeving het resultaat van sectorale CAOs die inspelen op de specificiteit van elke sector. Maar die gemeenschappelijke sectorale interesses zijn er ook op economisch vlak, in de brede zin van het woord. Ik geef drie eenvoudige, maar duidelijke voorbeelden: exportbevordering, beroepsopleiding, en leefmilieu.Inzake exportbevordering zijn de bedrijven geïnteresseerd in een benadering die zo productgebonden mogelijk is. Zo is er in de textielsector elk jaar een succesvolle contactdag voor meubelstoffen in Birmingham (VK), in samenwerking met Export Vlaanderen, waaraan een 25-tal Vlaamse textielbedrijven deelnemen. Daarentegen is er voor multisectorale missies veel minder interesse omdat in zon missie naast tapijten ook tomaten, telecomapparatuur, zitmeubelen, moeten worden gepromoot, hetgeen een veel minder gerichte benadering van potentiële kopers mogelijk maakt. De sectorbenadering daarentegen, mede ondersteund door de sectorale beroepsfederaties, betekent een duidelijke meerwaarde in de exportpromotie.Voor beroepsopleiding - vandaag een kritische succesfactor en zowel een economische als sociale materie - is de sectorale invalshoek nog het duidelijkst, precies omdat een textielmachinemonteur geen bouwvakker is en de opleiding van beide bijgevolg ook grondig verschilt. Daarom hebben de meeste sectoren hun eigen opleidingscentrum en werken zij nauw samen met de VDAB in Vlaanderen.Voor milieu is er ook een vrij gelijklopende interesse per sector. Zo is de preventie en desgevallend verwerking van tapijtafval heel verschillend van de verwerking van schrootafval. De sectorale beroepsfederaties kennen het best de specifieke milieuproblemen die zich in elke sector stellen en kunnen dan ook een meerwaarde bieden in de oplossing ervan. Zo moet de preventie en de recyclage van tapijtafval op sectorniveau aangepakt worden.En wat is dan de rol van de Kamers van Koophandel, naast die van de sectorale beroepsorganisaties? Die rol moet noodzakelijkerwijze complementair zijn, maar is daarom niet minder belangrijk. Naar aanleiding van de 125ste verjaardag van de Federatie van Kamers van Koophandel werd bevestigd dat de bedrijven het volgende verwachten van de hun vertegenwoordigende organisaties: meer transparantie, meer efficiëntie, een betere vertegenwoordiging, en daarmee samenhangend minder concurrentie tussen de organisaties die hen moeten vertegenwoordigen. En het is verheugend vast te stellen dat de Belgische Kamers van Koophandel zichzelf een lokale economische rol zien spelen. Naar de politieke overheden betekent dit dat zij hun werking richten op het gemeentelijk, intercommunaal en provinciaal niveau. Hun focus is dus het lokale en dat is perfect complementair met de rol van de sectorale beroepsorganisaties die hun focus richten op het gewestelijk, federaal en Europees niveau. Tot de belangrijkste lokale dossiers behoren ongetwijfeld alle ruimtelijke aspecten van de streekontwikkeling: ruimtelijke ordening met de problematiek van de zonevreemde bedrijven en bedrijventerreinen, infrastructuur en mobiliteitskwestie, organisatie van de lokale arbeidsmarkt en de subregionale tewerkstellingsproblematiek, naast verder ook netwerking tussen bedrijven en specifieke diensten die het best op lokaal vlak worden aangeboden.Op bepaalde andere terreinen is de economische rol van de Kamers van Koophandel daarentegen eerder beperkt. Exportbevordering, een gewestmaterie, gebeurt best op bedrijfs- of sectorniveau. En het beleid van economische expansie, ook een gewestmaterie, kent best geen te grote subregionale verschillen. Anders dreigt men immers snel te vervallen in concurrentieverstoring waarbij een onderneming in Oost-Vlaanderen bijvoorbeeld betere vestigingsvoorwaarden zou krijgen dan een onderneming die zich in West-Vlaanderen wil vestigen. Op een ogenblik dat de ondernemingen vooral pleiten voor een voltooiing van de interne markt, zou het opwerpen van nieuwe subregionale barrières het tegenovergestelde veroorzaken. Onze westerse wereld is nu eenmaal complex, en wordt helaas steeds complexer. De bedrijfs- en ondernemersorganisaties moeten, willens nillens, deze complexe wereld volgen. Maar dit hoeft voor de ondernemingen zelf geen probleem te zijn. Wel integendeel. Als er tussen de organisaties goede afspraken worden gemaakt en een duidelijke taakverdeling wordt overeengekomen, dan kunnen Kamers én beroepsfederaties samen de ondernemingen beter vertegenwoordigen en hen tegelijkertijd meer toegevoegde waarde qua dienstverlening aanbieden. Maar daarvoor hoeft men het begrip economische partners niet uit te vinden: het werkt immers al jaren in de praktijk. Fa QUIX De auteur is directeur-generaal bij Febeltex