Advertentie
Advertentie

Big business en het goede doel

Verontwaardiging siert de mens, want dit gevoel geeft veelal uiting aan een fundamenteel ongenoegen met bestaande wantoestanden. Wanneer verontwaardiging echter op gammele argumenten steunt, komen veeleer de begrippen onwetendheid en/of demagogie aan de orde.Op 28 december gaven Anita Cautaerts, Guido Cooreman, Pat de Buck, Wim de Neuter, Pol de Vos, Omer Mommaerts en Marc Vandepitte uiting aan een stevige dosis verontwaardiging. De argumentatie die deze zeven - zonder twijfel erg idealistische - ontwikkelingshelpers neerpenden, slaat helaas nergens op. Hun verontwaardiging siert dus niet.De zeven ventileren in hun podium Het goede doel als big business hun ongenoegen over de VZW Corporate Funding Programme (CFP) van voorzitter Fons Verplaetse, de gewezen gouverneur van de Nationale Bank. In CFP slaan enkele grote Belgische ondernemingen als Bekaert, Koramic, Sidmar en Union Minière de handen in elkaar met een zestal derdewereldorganisaties, waaronder Oxfam-Wereldwinkel, Broederlijk Delen en Vredeseilanden. Eenvoudig gesteld komt het er op neer dat de ondernemingen voor fondsen zorgen, die later via deze NGOs worden aangewend in de derde wereld.Vooral twee stellingen uit het betoog van de zeven ontwikkelingshelpers trokken de aandacht.Ten eerste vinden de zeven het onaanvaardbaar dat de zes NGOs de handen in elkaar slaan met de hoofdschuldigen van de groeiende kloof tussen Noord en Zuid. De regelmaat waarmee deze beschuldiging de voorbije maanden in de richting van de ondernemingswereld werd geslingerd, is omgekeerd evenredig aan de harde evidentie ter ondersteuning van de slogan. Bijzonder interessante gegevens daarover zijn trouwens te vinden in een binnenkort te verschijnen boek van Bradford De Long, een econoom die verbonden is aan de University of California, Berkeley. In de Europese politieke opdeling situeert De Long zich centrum-links. Op zijn website kan men al uitgebreide excerpten uit het boek lezen.Een van de themas die Bradford De Long uitwerkt, betreft de rode draad die volgens hem loopt doorheen de gapende welvaartskloof tussen Noord en Zuid. Rood mag hier letterlijk worden geïnterpreteerd, want het communisme blijkt de hoofdverantwoordelijke te zijn voor die kloof. Gezien de klaarblijkelijke nostalgie bij een gedeelte van de intelligentsia in dit land naar dat type van maatschappij-ordening, behoort het nog altijd niet tot de geplogenheden om waarheden als de bovenstaande zo ongenuanceerd op tafel te leggen. Zoals in de meeste discussies valt echter ook hier veel te zeggen voor duidelijkheid.Bijgaande tabel illustreert op een treffende manier de argumentatie van De Long. Ze geeft de inkomensniveaus per hoofd van de bevolking weer in het midden van de jaren negentig voor twaalf koppels van twee landen. Specifiek voor die landenkoppels is dat zij een oorlogsgrens vormden: namelijk de plaats waar de legers van Stalin, Mao en de Vietnamese communisten hun veroveringstocht stopzetten.Voor de communistische veroveringen vertoonde elk landenkoppel een hoge mate van overeenstemming inzake welvaartspeil. De cijfers spreken voor zich. Veel meer dan met een te veel aan vrije markt hangt armoede klaarblijkelijk samen met het ontbreken van een vrijemarkteconomie.En Afrika dan? De ellende en voortdurende hongersnoden concentreren zich daar in landen als Ethiopië, Soedan, Mozambique en Angola, allemaal landen waar de bevolking min of meer lange tijd onder een communistisch regime leefde. De wandaden van de Ethiopische communistische dictator Mengistu tegen zijn eigen bevolking kregen intussen een legendarische dimensie (om van het Noord-Korea van Kim Jung-il nog te zwijgen). Het is erg vreemd dat de zeven in hun betoog met geen woord reppen over de historische regulariteit van het gezamenlijk opduiken van armoede en communisme. De gevolgen van het optreden van Israël en Pinochet zijn klaarblijkelijk veel erger dan de genocides van en de hongersnoden die in de hand werden gewerkt door communistische regimes.Uiteraard past de uitval tegen CFP in de meer algemene strijd tegen WHO, IMF en Wereldbank..., instanties die hun strategie voornamelijk laten bepalen door de lobby's van de multinationale ondernemingen. Het heeft geen zin te gaan debatteren over dit type van ideologisch geïnspireerde a-prioristelling. De grond van de hele discussie betreft echter de vraag hoe de armsten het best en het snelst kunnen vooruitkomen. Het antwoord daarop is ondubbelzinnig: via economische groei.In dat proces naar grotere economische groei spelen de internationale investeringen van grote (en minder grote) bedrijven een doorslaggevende rol. Doen die ondernemingen aan uitbuiting door fabrieken in te planten in derdewereldlanden? Ja, zeggen de zeven. Neen, leert de realiteit. Lonen volgen altijd en overal de arbeidsproductiviteit. Via grotere kapitaalintensiteit stijgt die arbeidsproductiviteit en na verloop van tijd gaan ook de lonen omhoog. Bovendien gaat men al te vaak voorbij aan de realiteit van wat het alternatief is voor de mensen in de derde wereld. De eeuwige armoede? Of, erger nog, geen enkele mogelijkheid om zelfs maar in leven te blijven?Het tweede opmerkelijke punt in het betoog van de zeven is de stelling dat ontwikkelingshelpers geen geld mogen aanvaarden van multinationale ondernemingen: We moeten van de staat eisen dat die eindelijk eens voldoet aan wat hij al 30 jaar belooft: het besteden van 0,7 procent van het BNP aan ontwikkelingssamenwerking. Men staat er blijkbaar niet bij stil waar die 0,7 procent van het BNP vandaan moet komen. Het antwoord is nochtans eenvoudig: uit de toegevoegde waarde gecreëerd door de vermaledijde ondernemingen. Een elementair inzicht in de macro-economische samenhangen leert dat elke inkomstenvorm van de overheid daar uiteindelijk zijn oorsprong vindt.Het grote verschil zit natuurlijk in het feit dat wanneer de staat gelden ter beschikking van NGOs stelt, dat veelal in de vorm van een blanco cheque gebeurt. En daar gaat het de zeven blijkbaar om: geef ons geld, maar geen pottenkijkers. Bedrijven vertonen een natuurlijke reflex tot efficiëntie. De kans dat middelen die via een constructie als CFP naar derdewereldlanden vloeien, doelgerichter en sociaal-economisch efficiënter zullen worden aangewend, is reëel.De wereld van de ontwikkelingshelpers in het Westen bulkt van de mensen die vol enthousiasme en goede intenties inspanningen leveren die ons aller respect en steun verdienen. Zij verdienen als intellectuele steun dan ook veel beter dan de ideologisch verkrampte uitval die in het podium van 28 december 2000 naar voren kwam. Johan VAN OVERTVELDT chief economist van het financieel-economisch magazine Trends