Advertentie
Advertentie

Cultuur: consumptieartikel of zingeving in gemeenschap?

De Vlaamse regering nodigt uit mee te denken over het Vlaanderen van 2020 en wil de komende maand debatteren over cultuur en samenleving. Graag gaan we hierop in met een stellingname over de uitgangspunten voor een cultuurbeleid, al kunnen die lijnrecht ingaan tegen waar paars-groen voor staat.1. De mens wordt maar mede-mens en dus echt mens door cultuur in ruime zin. Dat is alles wat betekenis schept in het leven: schoonheid, kennis, vormgeving van het goede leven, zingeving die ons individuele leven overstijgt. Cultuur vindt zijn neerslag in materieel (monumenten, kunstwerken, literatuur) en immaterieel erfgoed (de volkscultuur). Al kunnen grote individuele geesten een belangrijke rol spelen, cultuur gaat in de eerste plaats over het samenleven van mensen en het betekenis scheppen die met anderen kan worden gedeeld. Cultuur is voor een klein deel individueel geschapen, voor een groot deel overgedragen tussen mensen.2. Ook al moet worden gestreefd naar een grote kwaliteit van de cultuuruitingen, cultuur is geen sector die primordiaal producten moet voortbrengen waarmee men economisch competitief is en die door burgers geconsumeerd worden. Het dominante discours denkt nochtans in termen van cultuurproductie en -consumptie. Cultuur gaat in de eerste plaats over sociale verbanden waarin en waardoor mensen kunnen groeien in menselijke waarden, in gemeenschap zichzelf kunnen zijn, zorg voor en solidariteit met elkaar uitbouwen.3. Vlaanderen heeft een rijk socio-cultureel leven waarin mensen zich vrijwillig verenigen. Dit is zeer belangrijk voor een democratie. Cultuur wordt ook beleefd en overgedragen in sociale verbanden die niet of maar ten dele op vrijwilligheid zijn gegrond, zoals het gezin, de buurt, de beroepsgroep. Ook zij hebben een belangrijke rol in de gemeenschapsvorming en de cultuur. Het belang ervan mag niet worden herleid tot de kwaliteit van hun prestaties of materiële producten.4. Cultuur verarmt wanneer zij onvoldoende uitwisseling met andere culturen inhoudt, maar ook wanneer zij de invoer van het vreemde louter ondergaat en niet integreert in de eigen traditie en leefwereld.Wat betekenen deze uitgangspunten voor een cultuurbeleid?1. Culturele ontplooiing is geen zaak van individuele rechten, wel van sociale verbanden op verschillende niveaus, van het gezin over de vereniging, de school en de beroepsgroep, de natie, tot Europa en de wereld, waarin mensen gezamenlijk zichzelf kunnen zijn, meer mens worden, en betekenis aanleren, stichten en doorgeven. Cultuurbeleid moet niet zozeer gericht zijn op de individuele consumptie van cultuur, wel op dit gezamenlijke be-leven. Het moet veeleer de actieve dan de passieve cultuurparticipatie ondersteunen.2. Cultuur in ruime zin (kunst, wetenschap, verenigingsleven, onderwijs, pers, religie en levensbeschouwing) moet een zaak zijn van de burgerlijke maatschappij, niet van de overheid. De overheid dient de bestaande sociale verbanden te ondersteunen en de organisatie van nieuwe aan te moedigen, en daarbij de grootst mogelijke vrijheid laten. De grondvrijheden zoals de vrijheid van onderwijs, vereniging, meningsuiting, godsdienst en geweten moeten dus weer worden versterkt. Natuurlijk moeten die sociale verbanden wel eerbied hebben voor de vrijheid, het leven, de gezondheid en veiligheid, de eigendom, en de eer en goede naam van derden.3. De taak van de overheid bestaat er niet in zelf die sociale verbanden te organiseren, maar wel a) publieke goederen te scheppen die de mogelijkheden van het vrije initiatief te boven gaan (culturele infrastructuur; behoud van het materieel erfgoed), b) culturele zelforganisatie financieel te bevorderen zonder zich met de inhoud te bemoeien, c) ervoor te zorgen dat het immateriële erfgoed niet gemarginaliseerd wordt tot een museaal relict uit het verleden dat geen maatschappelijke rol meer speelt, volkscultuur is even belangrijk als de elitaire cultuur van internationale kwaliteitsproducten, d) inclusie en participatie van achtergestelde personen te bevorderen, niet door het instandhouden van minderheden, wel door hen te integreren.4. Een minimum aan culturele cohesie moet gevrijwaard blijven van zowel de Vlaamse gemeenschap in zijn geheel als van de lokale gemeenschappen als inclusieve gemeenschappen, zodat die niet cultureel of sociaal gebalkaniseerd raken. De hele Vlaamse gemeenschap moet zich als Gemeenschap kunnen herkennen. Een beleid van natievorming blijft zinvol als het vanuit dat perspectief wordt gevoerd.5. Het beleid moet de internationale uitwisseling tussen culturele verbanden bevorderen. Uitstraling van de Vlaamse cultuur in het buitenland zal de Vlamingen meer mogelijkheden geven zich door uitwisseling met andere culturen te verrijken.6. Het beleid moet respect bijbrengen voor de cultuuruitingen van andere culturen en respect eisen voor de symbolen die ons tot Vlamingen getekend hebben. Tolerantie kan niet inhouden dat de tekens uit onze geschiedenis en cultuur uit de publieke sfeer moeten verdwijnen, en dat wij niet voor onze waarden en symbolen zouden mogen staan. We hebben nood aan een tolerantie die staat voor verschillen en niet voor (opgelegde) onverschilligheid.Prof. Matthias E. STORMEDe auteur is jurist en filosoof en hoogleraar aan de KU Leuven en Universiteit Antwerpen