Advertentie
Advertentie

De blijvende controverse over psychoanalyse

Van de grote intellectuele helden van de twintigste eeuw is Sigmund Freud (1856-1939), vader van de psychoanalyse, waarschijnlijk een van de meest omstreden figuren. Ons zelfbeeld werd in grote mate gevormd door de theorieën van Freud, en precies de wetenschappelijke validiteit van deze theorieën werd in de voorbije halve eeuw in toenemende mate ter discussie gesteld.De Weense kwakzalver, noemt Han Israëls docent geschiedenis van de psychologie aan de Universiteit van Amsterdam de Oostenrijkse vader van de psychoanalyse in een bundeling artikels die bij Bert Bakker verscheen. En Israëls vervolgt: Net als in de astrologie zijn de uitspraken van Freud zo geformuleerd dat ze eigenlijk altijd wel kloppen, en daarom vertellen ze ons niets over hoe de werkelijkheid in elkaar zit. Het beste wat er van de theorieën van Freud kan gezegd worden, vindt Israëls, is dat ze een dynamische theorie vormen, een theorie die zich als een kameleon aanpast aan haar omgeving. Maar dat aanpassingsvermogen is net wat Freuds tegenstanders zo boos maakt. De psychoanalyticus kan zo gemakkelijk een passende schutkleur aannemen omdat allerlei begrippen van hem buitengewoon vaag zijn. Alle energie die besteed wordt aan pogingen om te bewijzen dat de psychoanalyse niet waar is of niet toetsbaar is, lijkt mij zinloos, omdat op een veel elementairder niveau valt aan te tonen dat de leer van Freud niet deugt. Als we gaan kijken naar de manier waarop Freud met de feiten omspringt, dan zien we dat hij dat zo slordig doet dat we hem als wetenschapsman niet serieus behoeven te nemen.En daar gaat het in de hele discussie omtrent de waarde van Freud en zijn theorieën om: de wetenschappelijke gronden ervan. In de visie van de tegenstanders zoals Israëls neemt de psychoanalyse de vorm aan van een totalitaire denkwijze. De psychoanalyse is de schepping van Freud. Zij pretendeert de wetenschap te zijn die studie maakt van de menselijke ziel. Wie mee wil doen in de psychoanalytische beweging, moet het eens zijn met de grondslagen van de psychoanalyse zoals verwoord door Sigmund Freud. Wie het daarmee niet eens is, kan vertrekken.In zijn bundel laat Israëls weinig heel van de erfenis van Freud. Wat hem zeker ook lijkt te storen is de zelfverdediging van de Freud-aanhangers, die als het ware een oninneembare intellectuele burcht hebben opgebouwd. Het psychoanalytische bouwwerk, zo schrijft hij, heeft één kleine literaire zijvleugel waarvan we de fundamenten kunnen controleren. Als we die fundamenten controleren, dan blijken zij verrot te zijn, en vervolgens wordt gezegd dat die zijvleugel er ook eigenlijk niet echt bijhoort. Op die manier behoren de psychoanalytici niet te reageren op de in 1923 reeds vernoemde vertaalfout die Freud maakte bij het bestuderen van een tekst van Leonardo da Vinci een fout waarop hij vervolgens een hele analyse baseerde. De psychoanalytici antwoorden op dit probleem door zich van het probleem af te keren. Israëls: Ze trekken zich terug in dat deel van het bastion waarvan de fundamenten niet door buitenstaanders op hun deugdelijkheid kunnen worden onderzocht, namelijk daar waar het theoretische bouwwerk vooral steunt op patiënten die een psychoanalyse hebben ondergaan.Daarenboven worden de archieven van Freud zorgvuldig aan het nieuwsgierige oog van kritische biografen onttrokken. De grootste verzameling daarvan bevindt zich veilig achter slot in de Library of Congress in de VS, en is voor buitenstaanders niet toegankelijk. Omdat daarin bewijzen zouden te vinden zijn voor de dwalingen van Freud en zijn discipelen, voert Israëls aan. Voor hem is het hele werk van Freud een toonbeeld van onwetenschappelijk gedrag. De Studien über Hysterie van Sigmund Freud en Josef Breuer staat aan de wieg van een van de invloedrijkste denksystemen van de afgelopen eeuw, de psychoanalyse, en is een duidelijk geval van wetenschappelijke fraude.Is deze kritiek verantwoord? Ik sprak erover met de Britse schrijfster Lesley Chamberlain, auteur van een recent boek over Nietzsche en bezig met een even kritisch werk over Freud zelf. Maar eerst even de sfeer opsnuiven in het Freud Museum, waar het hele hebben en houden van de man bewaard is, incluis zijn prachtige bibliotheek en de honderden antieke beeldjes die hij verzamelde. Een jaar voor zijn dood, in 1938, zag hij zich verplicht om het door de nazis bezette Wenen te ontvluchten en zich in Engeland te vestigen. Zijn zoon, die architect was, liet een huis verbouwen in Maresfield Gardens, gelegen tussen de Londense voorsteden Belsize Park en South Hampstead, zó dat de hele uit Wenen meegesleepte inboedel erin paste en er een bijna getrouwe kopie ontstond van Freuds originele bibliotheek en werkkamer. Freud zou er maar een jaar van genieten. Voor mij komt het erop neer, vertelt Chamberlain me, dat ik Freud opnieuw geapprecieerd wil zien als een schrijver, met een hoge mate aan artistieke connotaties. Ik wil hem niet verontschuldigen: hij drong zijn verbeelding op aan zijn patiënten, en ik ben er zeker van dat hij al die dingen deed waardoor mensen zijn wetenschappelijke ingesteldheid zijn gaan betwijfelen. Maar hij was zelf bezorgd om dat aspect van zijn werk, en in vele gevallen was hijzelf zijn eigen deskundigste criticus. Freud was evenwel geen monster dat de wetenschap verraadde, zoals hij wel eens door Amerikaanse onderzoekers afgeschilderd wordt. Ik wil daarvan afstand nemen, van die wetenschappelijke gerichtheid met betrekking tot het onderzoek naar Freud. Wetenschap is niet de enige maatstaf waarmee we zijn werk moeten beoordelen.Mijn standpunt is dat, al zijn Freuds bevindingen niet helemaal wetenschappelijk verantwoord, dit niet wil zeggen dat ze niet esthetisch verantwoord kunnen zijn. Wat ik probeer te doen is het werk van Freud terug binnen het terrein van het esthetische te halen en het daar te gaan beoordelen, zodat het daar als een groot kunstwerk kan gezien worden, veeleer dan als een groot wetenschappelijk werk. Ik denk dat Freud in de eerste plaats functioneert als een kunstenaar, en dat hij een belangrijke kennis van en omgang met de taal etaleert. Zijn werk baseert zich op kennis van en vreugde om het gebruik van de taal, wat hem evenwel ertoe kan geleid hebben een werkelijkheid te gaan beschrijven die misschien niet helemaal aanwezig was.Freud hield er blijkbaar van, zo geeft Chamberlain toe, verhalen te ontwikkelen, nieuwe betekenissen en nieuwe scenarios aan het door hem waargenomen leven toe te kennen. Precies dat ervaart ze als positief. Wat ik ontdekte is dat er zoveel verschillende aspecten aan Freud zijn. Het gaat erom te ontdekken welke van deze aspecten ons kunnen verrijken. Belangrijk is ook zijn weergave van de manier waarop de menselijke verbeelding werkt, en een theorie van de creatieve verbeelding.Ook het autobiografische aspect van zijn werk mag niet verwaarloosd worden, een aspect dat door Freud zelfs maar nauwelijks verhuld werd. Freud ontdekte zijn eigen verbeelding naargelang hij zijn theorieën verder ontwikkelde en hij leerde deze verbeelding ook gebruiken. Voor iemand die geïnteresseerd is in creatief schrijven, is het werk van Freud bijna een handboek.Dit zette me aan het denken over de erfenis van Freud, die grosso modo uiteenviel in de Anglo-Amerikaanse en de continentale traditie. De Anglo-Amerikaanse traditie is een therapeutische traditie die zich concentreert op het emanciperen van buitenstaanders mensen die problemen hebben met het vinden van de juiste plaats in de samenleving door hen ervan te overtuigen dat de samenleving nu eenmaal de realiteit is, en dat je je daarvan niet kunt afscheiden. Dat komt overeen met één van de belangrijkste motieven in het werk van Freud zelf.Maar tegelijk wordt in de Anglo-Amerikaanse traditie het andere aspect van Freud, dat ik de fantastische Freud noem, geheel over het hoofd gezien. Precies dit fantastische aspect is van de blijvende kracht van de verbeelding overtuigd. Het is net alsof hij tot sommige mensen zei: goed, je bent neurotisch en je past niet binnen de grenzen van de samenleving, dan moet je dat ook niet proberen. Wanneer je genoeg verbeelding en fantasie hebt, kan je daaraan genoeg hebben om een volwaardig leven te leiden zonder je te moeten conformeren aan de noodwendigheden van de samenleving en aan de realiteit van andere mensen.Het is echter de Freud van na de Eerste Wereldoorlog die, zo voert Chamberlain aan, duidelijk naar voren komt als een sobere en sociaal verantwoordelijke auteur. En dat is de Freud die de Amerikanen het best konden waarderen. Maar de vroegere Freud was heel erg betrokken bij de mogelijkheden van de verbeelding. Dat is de Freud die we kennen van de interpretatie van de dromen. En precies met betrekking tot de behandeling en uitleg van deze dromen ontdekte Chamberlain een andere Freud, de literaire meester die zo sterk afwijkt van de wetenschapsman. Zijn theorieën lijken mij slechts gedeeltelijk een kwestie geweest te zijn van therapie. Ze waren evengoed een vorm van creatieve literatuur. Dat hebben de onderzoekers in de VS nooit goed begrepen, al is het daar dat, ironisch genoeg, de traditie in zekere zin geleid heeft tot het ondernemen van creatief schrijven als een vorm van therapie.Freud als creatief auteur? Erg bizar als je weet dat hij zich op vaak denigrerend wijze lijkt uitgelaten te hebben over kunstenaars, schrijvers in het bijzonder al was hij duidelijk een bewonderaar van Goethe. Chamberlain: Hij stond meestal erg afwijzend tegenover kunstenaars, liet zich zelfs laatdunkend over hen uit. Hij zag de schrijver niettemin als de succesvolste vorm van persoonlijkheid, die geen psychoanalyse nodig heeft, die al zijn problemen van zich af kan schrijven. De schrijver verkrijgt met gemak, stelt hij, liefde, respect en de aanbidding vanwege vrouwen. Zijn visie op kunstenaars was zo triviaal: hij zag hen als een soort van darwiniaanse top dog over de gemeenschap. Maar tegelijk merkt hij op dat de artiest er meestal erg goed in slaagt zijn eigen slechte inborst te verbergen. Hierin zie ik een soort van zelfportret van Freud, die waarschijnlijk zijn artistieke drijfveren onderdrukte, maar die de schrijvers het succes en de artistieke begaafdheid benijdde ik noem het, niet zonder ironie, pen-envy.Maar de relatie tussen Freud en de kunst was veel complexer dan dat, en het is daarom niet eerlijk alleen maar te wijzen op zijn negatieve houding ten overstaan van kunstenaars. Hij is tegelijk een kunstenaar, een anti-artiest en een non-artiest. Hij legde er vaak de nadruk op dat wat hij deed wetenschap was, en die nadruk lijkt mij te wijzen op een neurotische dwang om zijn werkelijke gevoelens, die ongetwijfeld artistiek van aard waren, te verbergen.Hij is een te complexe persoon om afgeschreven te worden als onwetenschappelijk en neurotisch. In zijn droombeschrijvingen probeert Freud immers in het reine te komen met zijn eigen zwakheden. Hij geeft persoonlijke dromen weer waarin zijn professionele scrupules ondermijnd worden, of die hem tonen dat hij erg ambitieus is en dat hij bereid is zijn fouten verborgen te houden. Hij ontkent de betekenis van deze dromen niet. Je vindt telkens die mengeling tussen opperste eerlijkheid en de nood om te liegen. Op die manier moeten we hem beter kunnen begrijpen, en waarschijnlijk ook verdedigen, zo niet als een wetenschapper, dan zeker als mens. GELFreud Museum, 20 Maresfield Gardens, Londen,tel.: 0044-20/74.35.20.02.Open van woensdag tot zondag van 12 tot 17 uur.Finchley Road Tube.Han Israëls - De Weense kwakzalver. Honderd jaar Freud en de freudianen - 1999, Amsterdam, Bert Bakker,191 blz., ISBN 90-351-2069-8