Advertentie
Advertentie

De bruut-Belgische versie van het surrealisme

Valt er iets nieuws te vertellen over de overspelige liefde tussen fotografie en surrealisme? Eigenlijk niet. Sinds de merkwaardige - want onwaarschijnlijke - koppeling tussen beide aan het daglicht kwam, is men nooit verder geraakt dan de fascinatie voor dat overspel. Waarin is dit buitenechtelijk? Omdat toch niets minder geschikt lijkt voor surrealistische verschuivingen dan de radicaal realistische techniek van de fotografie. In fotografie zien we alles meedogenloos, zonder de filter van verlangen en belangen. Tenminste, zo leek het ooit en zo lijkt het ondanks alles vandaag nog steeds. Maar juist daarom, zeggen surrealisten - juist omwille van die realistische naïviteit - kunnen we dat banale vrachtje eindeloos als iets anders verkopen dan wat het zelf afficheert te zijn. Van de braafste en meest fantasieloze vaststelling kunnen wij in een handomdraai iets obsceens, iets grappigs, iets raadselachtigs maken. Tenminste, zo leek het, lang geleden, in de handen van de grote knutselaars der betekenis, de surrealisten.Achteraf bekeken valt die omkering nogal magertjes uit. De ijskille registratie is onherroepelijk ontdooid. De beelden zijn op hun ambitieuze woord genomen en het slachtoffer geworden van de commentaren die ze uitlokten. De fotografie - die bereidwillige, brave dienstmeid van al onze democratische illusies, van ons verlangen naar dagelijkse bewijzen van geluk, naar kosteloze schoonheid - is niet die speerpunt gebleken van een nieuw kijken. De braafheid blijkt iedere dag sterker dan de weerbarstigheid, de fantasieloosheid sterker dan de verbeelding.Het surrealisme is de archeoloog van de 20ste eeuw. Even onvergetelijk als onwaarschijnlijk in zijn hypotheses. Het is waar - de surrealisten moeten zich echt goed geamuseerd hebben. Sindsdien is, denk ik, de fotografie nooit meer zo amusant geweest.Of is dit vooral een Belgische lectuur van het surrealisme en van de fotografie? De tentoonstelling in Charleroi corrigeert immers de geschiedenis van het surrealisme die zo sterk in Parijse termen is geschreven. De Section belge voegt echt Belgische vulgariteit toe aan dit verhaal. Een vulgariteit die op haar beurt iets belangrijks over het surrealisme in het algemeen reveleert. De postmoderne canonisering van de surrealistische fotografie in de Amerikaanse kunsttheorie mist de intellectueel wansmakelijke, de beschamend infantiele kant van de beweging, die revolteerde par le bas (zoals we telkens weer in Marcel Mariën zien). Laten we elkaar goed verstaan: par le bas betekent hier wat dom, flauw, melig is. Er is iets hopeloos verslenst aan dat Belgische surrealisme. Dat maakt het voor de correcte avant-garde-smaak veeleer angstwekkend. Het is het verschil tussen salon- en achterkeukenprovocaties. De klassieker Man Ray is soeverein in zijn plezier, Boiffard soeverein in zijn snijdende brutaliteit, Grete Stern de grootste der fotomonteurs; maar de Belgische Mariën is gewoon platvloers. Het is surrealisme met patates frites en een homp mayonaise erboven op. Het ruikt er niet naar wijn, maar naar bier.Het grote nee van het surrealisme is er lomper, maar daardoor ook radicaler dan in Parijs. Breton zorgde er toch steeds voor, net als Bataille, dat het provocerende nooit vulgair en het vulgaire steeds intelligent aanvoelde. Niet zo in België, waar ons natuurlijk nihilisme een kitscherige goudvis is in het nog veel te protserige Franse nee.Die ondeftigheid, die kleinburgerlijke onaangepastheid was uiteraard een doorn in het oog van de surrealistische elite. De Brusselse ode aan de obscene stupiditeit is tegelijk een ontluistering van de surrealistische revolte en haar ultieme realisatie. Het is maar goed ook dat Magritte de grootste der surrealisten is geworden, die Dalí (gelukkig) en Ernst (helaas) naar de kroon steekt. Zelfs het scherpste protest krijgt in de straten van Brussel en Charleroi vernederende stront aan de hielen.Jammer, maar de tentoonstelling in Charleroi heeft niet echt de - surrealistische - overmoed om de geschiedenis te herschrijven en Lefrancq, Mesens, de onvolprezen Paul Nougé, de onmogelijke Mariën als een schotschrift in de deftige tempel van het surrealisme te gooien. Ik ben zeker dat het geen geslaagde, maar wel een zeer leerrijke en beslist zeer Belgische operatie zou zijn geworden. Nu hangen de Belgische beelden in concurrentie met vele overbekende Franse klassiekers. Dat stikt, als een nat laken, het laaiende vuur van het ongepaste.Minstens even intrigerend en een echte openbaring is het werk van Georges Thiry (1904 - 1994), vriend van de surrealistische generatie en amateur van het bordeel. Maar hij fotografeert lang na de feiten, in de jaren vijftig en zestig, als de surrealisten oudere heren zijn geworden, gevangen in rituelen, verloren tussen gestes die overvol zitten van verleden. Maar niet alleen de gefotografeerde kunstenaars zijn een beetje uit hun rol gevallen, ook de fotograaf komt te laat. Hij maakt geen surrealistische portretten, maar heel vaststellende beelden: figuren poserend, ten voeten uit, met veel omgeving (op straat of interieur) errond. Iedereen heeft zich met wat troostende fetisjen teruggetrokken uit een maatschappij die hen niet meer aangaat, hen niet meer nodig heeft. Ze staan in de beelden zoals ik me voorstel dat teruggekeerde kolonialen erbij lopen. Hun kop vol oerwoud, hun ogen gericht op de plaatselijke frituur. Zo ruiken ook bij Claus de Belgen.Even spannend en wonderlijk juist zijn de portretten van stevig gebouwde prostituees die zonder hartkloppingen de appelsienenbillen laten zien. Deze plichtsbewuste priesteressen van het overtollige sperma kijken trots over hun schouder in de camera. Een heilig ontzag voor hun functie spreekt zowel uit hun lichaam als uit de beelden die Thiry van hen maakte. Ze behoren tot de wonderlijkste en meest Belgische creaties. DLSurréalisme et Photographie en Georges Thiry in het Musée de la Photographie à Charleroi, 11 Avenue Paul Pastur, Charleroi/Mont-sur-Marchienne, tot 3 juni,open van dinsdag tot zondag van 10 tot 18 uur, tel.: 071/43.58.10.