De eenzaamheid van de reizende reporter

JOURNALISTIEK Lapidarium / Observaties van een wereldreiziger Ryszard Kapuscinski2003, Amsterdam/Antwerpen, De Arbeiderspers (Prive-domein), 196 blz., 22,95 euro, ISBN 90-295-2552-5. (tijd) - Een lapidarium is een plaats waar men gevonden stenen, brokstukken van beelden, fragmenten van bouwwerken neerlegt, hier een stuk van een tors of een arm, daar een brok van een kroonlijst of zuil, kortom: dingen die een deel vormen van een geheel dat niet meer of nog niet bestaat of nooit bestaan heeft. Dingen die je zogenaamd nergens voor kunt gebruiken. Sommige kranten publiceren ze onder de hoofding Redactioneel Afval. Sommige uitgeverijen beschouwen ze als kleinoden, die in een aparte reeks Prive-domein worden ondergebracht. De schrijver zelf sluit niet uit dat onze wereld zich ontwikkelt tot een grote collage, een losse verzameling fragmenten, een waar lapidarium. De journalist-schrijver-reiziger Ryszard Kapuscinski werd ruim zeventig jaar geleden geboren in Wit-Rusland, bij de Poolse grens. Na zijn studie geschiedenis in Warschau dook hij, halverwege de jaren vijftig, de journalistiek in. De derde wereld begon te ontwaken en daar wilde hij als historicus en verslaggever getuige van zijn. Dat verklaart meteen zijn liefde voor Afrika, waar hij veelvuldig en vaak voor langere tijd verbleef. Hij wilde onder de mensen leven die hij beschreef, met hen eten en honger lijden, onderduiken en de andere werkelijkheid vergeten. 'Wanneer ik in Afrika ben, schrijf ik geen brieven en bel ik niet naar huis. Zou ik dat wel doen, dan zou ik een buitenstaander blijven. Over het sterven aan het front kan ik niet schrijven terwijl ik in een comfortabel hotel zit, ver van het slagveld.' In feite was Kapuscinski een van de eersten die spontaan New Journalism beoefenden - nog voor de Amerikaan Tom Wolfe die term trendy maakte door hem een literair tintje te verlenen. Amateurs Tot op onze dagen is de 'vertroebeling van de genres' een thema onder journalisten en schrijvers. Kapuscinski neigt in latere jaren naar de aanpak van de Brit Bruce Chatwin - in 1989 overleden. Hij noemt hem de meester van de moderne reportage. Zijn debuut 'In Patagonie' was een reportage, maar tegelijk een historisch essay en zelfs een roman. 'Het is een nieuwe manier van schrijven, die van de literatuur van het feit een rijker en ruimer genre heeft gemaakt.' De correspondent zit tussen twee vuren, informatie en literatuur, die Kapuscinski op eigen wijze heeft weten te verzoenen. Het duurde een tijd voor hij erkenning vond, maar dan was ze er plots. Zijn 'Imperium', 'De sjah aller sjahs', 'De keizer', 'De voetbaloorlog', werden klassiekers die op de betere journalistenscholen tot de eindtermen (moeten) behoren. Niet dat zo'n school tot aanbeveling strekt. 'In dit beroep zijn altijd veel amateurs geweest, maar tegenwoordig domineren de amateurs het vak. Velen van hen zijn zich er niet van bewust dat journalist zijn in de eerste plaats betekent dat je steeds aan jezelf moet werken, jezelf moet scholen, kennis verwerven, proberen de wereld te begrijpen.' Overigens, zo betreurt de schrijver/journalist, wordt het vak nu gedomineerd door de televisie. Het wemelt van de cameralieden, geluids- en lichttechnici, kortom mensen die het meer interesseert te weten waar het stopcontact zit en of de kabel niet te kort is, dan te achterhalen wat de zin en de kern van de gebeurtenissen zijn. Televisie bulkt van de concurrentiegeest. Belangrijker dan informeren over wat er in de wereld gebeurt, is dat 'de een de ander in de gaten houdt'. Gevolg: wij baseren onze kennis van de wereld steeds minder op kennis van de gebeurtenissen en de processen die ze sturen, en steeds meer op de voorstelling die de televisie van die gebeurtenissen geeft - een geinterpreteerde versie die wij maar moeten geloven. Toegegeven, zegt hij, de nieuwe elektronische middelen van de correspondent (fax, modem, e-mail, draadloze telefonie) zijn een stap vooruit. Maar er zitten grote nadelen aan vast. Het snelle, onmiddellijke, probleemloze contact met de centrale thuis, heeft tot gevolg dat de correspondent, ondanks zijn geografische verwijdering, cultureel en sociaal nog altijd aanwezig is in het gebouw waar zijn kantoor zich bevindt. Hij beschouwt zijn verblijf in een andere cultuur als tijdelijk. Een oppervlakkige episode. Niets moedigt hem aan om die cultuur en de mensen met wie hij omgaat grondig te leren kennen. Door die elektronische gebondenheid aan zijn centrale, loopt de correspondent ook het risico dat de centrale zijn stappen in het veld gaat sturen, hem zijn initiatief ontneemt, dat hij kortom eerder een afgezant is dan een zelfstandige reporter en onderzoeker. Het is niet allemaal leed in de wereld. Zelfstreling van het ego hoort bij het vak. Veel schrijft hij er niet over maar toch dit: 'Toen alles goed was afgelopen, was ik voldaan: 'Het is me weer gelukt!' Het is een spel. De behoefte aan extreme spanning zit heel diep in mij. Zonder uitdagingen word ik sloom en ben ik niet in staat om te schrijven.' Ik heb het nog nooit zo helder en compromisloos weten verwoorden door Blommaert, Lambrecht, Vranckx, Rotthier, Vlaamse correspondenten die hun belevenissen in exotische landen ook boekgewijs hebben prijsgegeven. Kapuscinski voegt er wel een hartenklacht aan toe, over de eenzaamheid van de reizende reporter: hij schrijft over hen die hem niet lezen, voor hen die zich weinig voor zijn helden interesseren. Hij is een tussenin-figuur, een vertaler die tussen de culturen hangt. 'Zijn vraag en probleem: in hoeverre kun je in een andere cultuur doordringen en haar leren kennen, als ze toch gevormd wordt door inwendige, verborgen codes die wij, reizigers uit een andere wereld, nooit zullen kunnen ontcijferen en begrijpen.' De vraag kan ook gesteld worden aan sommige van onze literaire zwervers. Aan Lieve Joris bijvoorbeeld, van wie bekend is dat zij Kapuscinski intens bewondert. Ameliorist Dit lapidarium, deze losse flodders, schetsen, in- en uitvallen, associaties, zijn niet altijd even stilistisch opgepoetst maar nooit inhoudsloos. Ze gaan ook over veel meer dan alleen 'het vak', hoewel dat dierbare vak toch een flinke moot van het geheel vormt. Het valt te begrijpen als een teken dat Kapuscinski in zijn 'echte' boeken bij het onderwerp is gebleven en daarin niet zijn eigen problemen heeft uitgespit. Die problemen horen, hoe belangrijk ook, bij de berg Redactioneel Afval. Prive-domein, inderdaad. Er staan beklemmende paragrafen, soms pagina's, in dit boek, over de ramp van kindsoldaten in Afrika, over de aan gang zijnde privatisering van oorlogen, over het beruchte kamp Kolyma onder Stalin, over de 'onderkoelde revolutie' in Rusland na de val van de Muur. Over Indonesie, Oxford, Capri, en de liberale filosoof Roger Scruton. Kapuscinski beschrijft de treinreis die hij in 1996 maakte uit zijn geboortestadje Pinsk, in Wit-Rusland (Polesie), naar Brest aan de Poolse grens. Het is van een troosteloosheid die zelden op papier is gezet. De trein is een rijdend concentratiekamp, verstikkende lucht van sokken-hemden-oksels-schorten-mandjes-ongewassen mensen. Zijn mensen. Wanden, ramen en vloeren die dicht zijn geschroeid met jarenoude modder en stankpatina. De modder van zijn eigen land. Conductrices die zonder meer in de categorie 'wolvinnen van de SS' thuishoren. Zijn eigen vrouwen. Schandelijk brutale douanebeambten, die hun geringe macht misbruiken om medemensen te vernederen. Zijn eigen verdrukkers. Dociele reizigers die alles slikken, als ze maar een kans maken om de andere kant van de grens te bereiken: Polen, het Paradijs! Dit Lapidarium kan gelezen worden als een bekentenis, als een psychische niche van de schrijver die zich jarenlang van oorlog naar hongersnood verplaatste, om uiteindelijk te constateren dat de wereld weliswaar slecht in elkaar zit maar absoluut niet saai is. En hij gelooft nog in de mogelijkheid van verbetering. Hij is een ameliorist, geen cynicus. Het valt te hopen dat Kapuscinski deze 'observaties' weet te verwerken in een nieuw boek, dantesk, niet freudiaans. En wat minder lapidair. Jef COECK