Advertentie
Advertentie

De Europese hoger onderwijsruimte: droom of werkelijkheid?

Als we het hoger onderwijslandschap in Vlaanderen bekijken, zien we dat dit voortdurend in beweging is. Het Universiteitendecreet is nauwelijks tien jaar oud, vele aanpassingen aan de nieuwe regelgeving liggen nog vers in het geheugen, en toch voelen velen aan dat er op relatief korte termijn, nieuwe en vrij ingrijpende stappen moeten worden gezet in de richting van verdere flexibilisering en innovatie van het onderwijs. De Ministers van de Europese Unie en de rectoren hebben zichzelf, in de Bolognaverklaring van 19 juni 1999, immers (slechts) tien jaar gegeven om een European Area of Higher Education te vormen.Het doel van dit ambitieus actieplan ligt in het verhogen van de competentie van het Europees hoger onderwijs ten opzichte van dat van de andere continenten. De aangebrachte motivering kunnen we omschrijven aan de hand van de volgende sleutelwoorden: flexibilisering, mobiliteitsverhoging, kwaliteitsbewaking, harmonisering en verhoging van de transparantie en vergelijkbaarheid.Dat het hier om nobele motieven en doelen gaat, staat buiten kijf. Maar toch stellen zich hier bepaalde problemen, vragen en onduidelijkheden. Allereerst moeten we ons de vraag stellen of Vlaanderen wel nood heeft aan een hervorming en Europese harmonisering van het hoger onderwijs en is Vlaanderen wel klaar voor een hervorming van dit kaliber. Het is ontegensprekelijk zo dat door de globalisering en informatisering, nationale grenzen een deel van hun relevantie verliezen, denken we hierbij maar aan de oprichting van de Transnationale Universiteit Limburg. De wereld als global village wordt meer en meer een feit. Het harmoniseren van de verschillende Europese hoger onderwijssystemen is in die optiek een oefening die gedaan moet worden. De noodvraag lijkt hierdoor, gedeeltelijk althans, positief beantwoord. Een minder eensluidend antwoord komt er op de vraag of Vlaanderen hiervoor wel klaar is. Door zijn complexe, tertiaire hoger onderwijsstructuur, verloopt de discussie duidelijk moeizamer dan in de andere Europese landen. Enerzijds brengt een hervorming an sich zeer veel problemen met zich mee, in die zin dat ze enkele (politiek) zwaar geladen themas opnieuw aan de oppervlakte brengt. Denken we maar aan de discussies omtrent het verschil tussen de academische opleidingen (burgerlijk ingenieur), en de opleidingen van academisch niveau (bijvoorbeeld: industrieel ingenieur), aan de gevoeligheden inzake de taalregeling en aan de telkens terugkerende vraag naar het voortbestaansrecht van de Katholieke Universiteit Brussel. Anderzijds rijzen er een hoop vragen en onduidelijkheden bij de invoering van het Angelsaksische (bachelor-master) model van hoger onderwijs. Hierbij denken we in de eerste plaats aan de onduidelijkheid omtrent de valoriseerbaarheid van de verschillende diplomas. Is het nu zo dat men opteert hetzij voor een praktijkgericht en onmiddellijk valoriseerbaar bachelordiploma hetzij voor een theoriegericht masterdiploma? Spreken deze twee zich niet per definitie tegen? Men moet immers toch een dergelijk onmiddellijk valoriseerbaar bachelordiploma behalen alvorens toegelaten te worden tot het masterniveau. Zal dit niet tot grote problemen leiden qua doorstroming en vorming van de studenten? Het lijkt ons niet overdreven om te stellen dat er dan een groot aantal studenten na drie jaar hun diploma willen verzilveren (zeker in de informatica- en technologiesector zal dit fenomeen zich voordoen). Dreigt het masterdiploma dan niet gedegradeerd te worden tot een extraatje van humane en theoretische vorming? Het tweede heikel punt is de hele discussie omtrent de studieduur van de verschillende opleidingen. Centraal staat de vraag of bepaalde opleidingen al dan niet verlengd moeten worden. Zolang deze en vele andere vragen niet eenduidig beantwoord worden, mogen we stellen dat Vlaanderen nog niet klaar is voor een ingrijpende hervorming van het hoger onderwijs. Afsluitend willen we onze bezorgdheid uiten over een tweetal, elkaar aanvullende, maatschappelijke implicaties. Ten eerste moet men er terdege rekening mee houden dat interuniversitaire samenwerking ook nadelen kan opleveren. Een vrijwillig aangegaan transnationaal samenwerkingsverband geeft alle vrijheid aan de verschillende instanties om de partners te kiezen. Hierbij schuilt het gevaar van de ontwikkeling van een Europa met verschillende snelheden steeds om de hoek. In het verlengde van het vorige bevindt zich de discussie omtrent profilering versus netwerkvorming. Het lijkt ons waarlijk een (té) mooi verhaal: elke instelling voor hoger onderwijs wil zich zo goed mogelijk profileren en zo kwalitatief hoog mogelijk onderwijs aanbieden om de beste studenten aan te trekken. Hiernaast draagt men netwerkvorming zeer hoog in het vaandel. Onze vraag hierbij is: Zal het een het ander niet in het gedrang brengen? Zal de profileringsdrang het niet halen van de samenwerking? Zal er in tweede orde dan toch geen Europa met verschillende snelheden ontstaan?. Waar staan we dan met ons ideaal van één Europese hoger onderwijsruimte? An PEETERS Theo FRANCKENDe auteurs zijn respectievelijk student 2de licentie Onderwijskunde KU Leuven en onderwijskundig pedagoog