Advertentie
Advertentie

De gemeentewet mag niet naar het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

De federale regering neemt zich voor om de gemeentewet over te hevelen naar het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Ondertekenaars van deze tekst menen dat dit de kwaliteit van het bestuur en de positie van de Vlaamse gemeenschap in Brussel niet ten goede komt. Die gemeentewet is een cruciaal instrument voor het rationaliseren van de taakverdeling tussen gemeenten en gewest, en kan dienen als hefboom voor de lokale verankering van de Vlaamse gemeenschap. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is gekenmerkt door een hoge concentratie bestuurlijke niveaus die mekaar overlappen. De Europese Unie, de federale overheid, Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Franse Gemeenschap, de COCOF, de Vlaamse Gemeenschap, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, en niet te vergeten de 19 gemeenten oefenen door en naast elkaar hun bevoegdheden uit, versluizen middelen naar elkaar in het kader van allerlei onderscheiden regelgevingen, terwijl er ook een hoge graad van cumulatie in de mandaten bestaat. Bij dit alles gelden de 19 gemeenten als de belangrijke machtsbolwerken van de Franstalige Brusselse partijen. Er bestaat bijvoorbeeld een conferentie van burgemeesters die een parallel overlegcircuit vormt naast het Gewest. De gemeentelijke lobby is dan ook zeer actief en holt het gewestelijk beleidsniveau uit.Die gemeenten voeren ook een beleid dat cultuur- of persoonsgebonden is: ze zijn de inrichtende macht van 15 Nederlandstalige kinderdagverblijven, 49 kleuterscholen, 32 basisscholen en 4 middelbare scholen; ze beheren 9 OCMW-ziekenhuizen; ze hebben een uitgebreide sociale dienstverlening; ze voeren een cultuurbeleid, bezitten niet zelden een gemeentelijk cultureel centrum, een gemeentelijke bibliotheek, subsidiëren verenigingen, enz. Dat op het gemeentelijk niveau niet voorzien is in een structurele verankering van het beleid van de Vlaamse Gemeenschap, is dan ook een duidelijk institutioneel manco in de staatsinrichting. Want in zeven van de negentien gemeenten zaten er de vorige legislatuur geen Vlamingen in het gemeentebestuur. Het is dan ook duidelijk dat op al deze vlakken de Vlaamse gemeenschap stiefmoederlijk behandeld wordt, al dan niet geboycot, zodanig dat de Vlaamse Gemeenschapscommissie het hiaat moet opvangen en een eigen sociaal dienstverlenend netwerk heeft moeten opzetten.Niemand betwist dat in een verstedelijkte agglomeratie als de Brusselse het rollenspel noodzakelijk anders moet liggen dan in het Vlaams en het Waals Gewest. Maar dat betekent geenszins dat de gemeentewet daarom in handen moet komen van de Brusselse Hoofdstedelijke raad, waar een Franstalige meerderheid zonder enige tegenspraak, de bestuurlijke verhoudingen op maat van de eigen machtsposities kan hervormen. Daarom lijkt het hertekenen van de bestuursstructuren van de hoofdstad ons niet alleen de taak van de (Franstalige) hoofdstedelingen zelf. De bestuurlijke inrichting van Brussel, de taakverdeling tussen het lokale en het bovenlokale niveau, de verankering van de Vlaamse gemeenschap op alle niveaus van de hoofdstedelijke beleidsvoering zijn stuk voor stuk themas die voor Vlaanderen van levensbelang zijn. De Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie stelde onlangs een aantal amendementen voor op het Lambermontakkoord. Het eisenpakket kreeg de vorm van een resolutie die in het Vlaams parlement wordt neergelegd. Daarin worden volgende eisen gekoppeld aan de overheveling van de gemeentewet: twee Vlaamse schepenambten in elk gemeentebestuur evenals twee mandaten in elk OCMW; een versterkte Vlaamse vertegenwoordiging in de gemeenteraden; het instellen van de dubbele meerderheid voor het wijzigen door de gewestraad - van de gemeentewet; een gegarandeerde aanwezigheid in de politieraden. Maar de resolutie bevat nog een belangrijke aanbeveling: dat de bestuurlijke organisatie van Brussel eenvoudiger, doorzichtiger en efficiënter wordt gemaakt door eventueel een (gedeeltelijke) fusering van een aantal gemeenten, of nog beter, door een herschikking van een aantal bevoegdheden tussen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de gemeentelijke overheden.Het is wel van belang dat de schepenen ook reële beslissingsmacht hebben over reële bevoegdheden en dito budget, en bijvoorbeeld niet in minderheid gesteld kunnen worden in het college. Zij moeten ook kunnen instaan voor de afdwingbaarheid van de Vlaamse decreten ten aanzien van de Brusselse gemeenten.Wat betreft de bestuurlijke organisatie zijn we van mening dat het Vlaams parlement steeds in laatste instantie zijn goedkeuring moet hechten aan de bestuurlijke verhoudingen in Brussel, gelet op de mogelijke consequenties met betrekking tot het plaatselijke samenleven van de twee grote gemeenschappen van het land. De toekomst van Brussel moet gedragen worden door beide grote gemeenschappen. Uiteraard volgt hieruit een aangepaste en correcte bestuurlijke organisatie, wat haaks staat op een geregionaliseerde gemeentewet. Ludo Abicht, voorzitter Masereelfonds, Edward Celens, emeritus hoogleraar, Jari Demeulemeester, directeur AB, Erwin Eysackers, voorzitter 11-julicomité Brussel, Reej Masschelein, erecoördinator Brusselse Welzijnsraad, Constant Matheeussen, rector KUB, Joost Rampelberg, voorzitter Vlaams Komitee voor Brussel, Antoon Roosens, redacteur Meervoud, Jan Stacino, syndikaal afgevaardigde BBTK-ABVV Brussel, Erik Suy, hoogleraar, Erika Vandermeersch, voorzitter Vlaamse Wachtdienst Brussel, Hugo van Eecke, oud-stafhouder Brusselse Balie, Geert van Istendael, auteur, Fernand van Hemelryck, voorzitter Davidsfonds, Bernadette Vriamont, voorzitter GC De Kriekelaar