De Gentse deelgemeente Oostakker is een wonderlijk oord

De Gentse deelgemeente Oostakker is een wonderlijk oord. De ouders van Maurice Maeterlinck, Nobelprijswinnaar Literatuur 1911, hadden er een buitenverblijf en de ouders van Hugo Claus hebben er korte tijd gewoond. Vader Claus verkaste vaak. Het feit dat zoon Hugo om de vier, vijf jaar verhuist, heeft hij niet van vreemden. De schrijver verbleef er om bij te komen van een turbulente periode in Parijs, en schreef er zijn beroemdste cyclus, de 'Oostakkerse Gedichten'. Tevens is Oostakker een bedevaartsoord, een remake van het beroemdste Maria-oord ter wereld, Lourdes. Het hele jaar door trekken gelovigen naar Oostakker-Lourdes. Gezonde zowel als ongezonde. De nonnen en broeders doen er gouden zaken, want een kaars van twintig frank wordt niet voor negentien verkocht, zoals ik mocht ondervinden toen onze dochter Joyce, half zo oud als nu, een kaarsje wou laten branden, maar papa onvoldoende kleingeld op zak had. Tot slot kocht mijn vriendin er vijftien jaar geleden een pand, waar ik mij regelmatig terugtrek in het achterhuis als ik weer eens zin heb in het plegen van enig literair werk. Joyce gaat naar de vlakbij gelegen basisschool. Over een paar dagen sluit ze haar eerste grote schoolperiode af. Het gaat gepaard met een ludieke wedstrijd tussen de leerlingen en de leerkrachten van het zesde studiejaar. Sportactiviteiten worden afgewisseld met culturele. Een van de culturele is het verzinnen van een wonder. Op zich geen probleem. Het in de krant krijgen is echter andere koek. Maar geen nood. Schrijft de vader van een klasgenootje niet voor een landelijke krant? Ik ben niet te koop, maar voor onze dochter maak ik een uitzondering. Want, en nu citeer ik de slotzin van 'Tsjip' van Willem Elsschot: 'Ik ben bereid afstand te doen van alles in ruil voor de ademtocht van dat jonge leven, voor de geur van die ontluikende roos.' Wat is nu dit wonder? Niets minder dan de wonderbaarlijke overleving van twee vissen. Voor de verjaardag van de meester op 26 maart kochten de leerlingen drie vissen, Liece, Startit en Nioka. God weet waar ze de namen vandaan haalden, maar het bewijst eens te meer dat de naamkeuze even natuurlijk als artificieel is, want gebonden aan sociale omgeving en trend. Na een paar dagen overleden Liece en Startit. Het aquarium bleek met zeep gereinigd te zijn maar onvoldoende gespoeld. Rouw in overtreffende trap, tot een leerlinge twee nieuwe vissen meebracht. Cleo en Startit II. Nieuwe tegenslag helaas: Cleo stierf. Deze keer bleef de oorzaak onbekend. Er werd wel over hun lot, of noodlot zo u wilt, gediscussieerd. De ene beweerde dat te veel aandacht slecht is voor hun gezondheid, terwijl de andere volhield dat hoe minder je ze te eten geeft, hoe meer kans ze maken op een oude dag. Zouden Nioka en Startit II het einde van het schooljaar halen? Ze werden extra verzorgd. Dat wil zeggen: er werd op aanraden van de meester nog nauwelijks naar omgekeken. En die raad bleek goud waard. Want goed drie maanden later blijken zowel Startit II als Nioka nog in leven. De hele school spreekt van een wonder. En dat is het ook. Want een wonder is een wonder als men heilig overtuigd is van zijn gelijk en anderen van zijn gelijk weet te overtuigen. Voor mij zal het wonder pas een wonder zijn, als Nioka en Startit II op 1 september nog zwemmen. Want de grote vakantie staat voor de deur. Wie gaat zich tijdens die twee maanden over hen ontfermen? Meester of God? Guido Lauwaert