De geschiedenis van Kaïn

Rüdiger Safranski heeft naam gemaakt met biografische studies over de Duitse filosofen Arthur Schopenhauer, Martin Heidegger en Friedrich Nietzsche. Enkele jaren geleden heeft hij glansrijk een proeve van eigen filosofisch denkwerk afgelegd met een essay over het kwaad.De auteur gaat in dit essay, waarvan onlangs de derde Nederlandse druk verschenen is, historisch te werk: hij onderzoekt hoe de westerse cultuur in de verschillende fasen van haar ontwikkeling, in de Oudheid, tijdens de Middeleeuwen, in de Moderne Tijd en in de twintigste eeuw, het kwaad ervaren heeft. Een begrip van het kwaad is de inzet geweest zowel van het religieuze als van het filosofische denken en van de kunst. Safranski raadpleegt daarom de bijbelse verhalen over de zondeval, over de moord van Kaïn op Abel en over Noach en de zondvloed uit het boek Genesis en het onthutsende verhaal van Job. Hij komt tot de bevinding dat het jodendom hoegenaamd niet gelooft in de vereenzelviging van God met het goede, maar er integendeel van overtuigd geraakt is dat God deel heeft aan het geschieden van het kwaad. In Genesis ontpopt Jahweh zich als een jaloerse god, of als een god van de vergelding; in het boek Job toont hij zich als de totaal ondoorgrondelijke schepper van een wereld waarin geen rechtvaardige orde te ontdekken valt. De verwantschap tussen God en het kwaad (of tussen God en Satan) is in de filosofie uitgewerkt door de pseudo-mystieke speculaties van Schelling. Deze laat-romantische filosoof breekt aldus met de meest invloedrijke traditie uit het christendom, waarin God doorgaans gelijkgesteld wordt met het goede.Grondlegger van deze theologische traditie is de belangrijkste filosoof uit de Romeinse Oudheid: Augustinus. Die schakelt het kwaad gelijk met de verwijdering van God: het menselijk schepsel is voor zijn bestaan enerzijds afhankelijk van en aangewezen op zijn goddelijke Schepper, maar beschikt anderzijds over de vrijheid om zich van zijn bron en oorsprong af te wenden. Augustinus, die de ondergang van het Romeinse Rijk meemaakte en dus op de breuklijn tussen Oudheid en Middeleeuwen leefde, stoot door zijn introspectie en zijn existentiële overpeinzingen tegelijk de poort naar de moderniteit open. Terwijl de Grieken (en met name Aristoteles) enkel weet hadden van een soort voorkeur en van de mogelijkheid om te kiezen, ontdekt Augustinus de vrijheid en de vrije wil, het vermogen van de mens om te handelen en een begin te maken. Die vrije wil confronteert hem met de afgrond in elke mens: het staat de mens vrij om niet het goede te doen, om zich aan het kwaad over te geven. Dat inzicht maakt niet wijzer, maar verbijstert: quaestio mihi factus sum (ik ben mezelf tot vraag geworden) luidt de opmerking die als een leidmotief door Augustinus geschriften loopt.De mens is verdeeld in zichzelf en voert tijdens zijn leven een drama op. Dit verklaart de ondertitel van Safranskis essay, maar ook waarom de literatuur zoveel interesse voor het kwaad betuigd heeft. Te beginnen met de Griekse tragedies: Antigone verpersoonlijkt de strijd tussen het persoonlijke geweten en het staatsbelang, Medea de niets ontziende, uitzinnige wraak. Maar ook in de moderne literatuur treffen we een onverholen fascinatie voor het kwaad aan: bij Sade, Baudelaire en Kafka, bij Joseph Conrad en bij Georges Bataille, in de figuur van Faust bij Goethe en van de Grootinquisiteur bij Dostojevski. Safranski schrikt niet terug voor de ontnuchterende vraag in hoeverre deze literaire fascinaties verwant zijn met de misdadige razernijen van de twintigste eeuw. Hij denkt dan vooral aan Hitler en het nazisme, waarin het onmogelijk gewaande verband tussen radicaal kwaad en staatsraison tot stand gekomen is. Hij vestigt er de aandacht op dat Hitlers samenzwering zich op klaarlichte dag voltrokken heeft, triomfantelijk en onder applaus van miljoenen in binnen- en buitenland. Safranski besluit dat het in het licht van die begane misdaden moeilijk is om nog te geloven in het beschavingsproces. Hij erkent niet te weten waar de mens de kracht vandaan moet halen om niet in een gruwelijke herhaling te vallen.Dirk DE SCHUTTERRUDIGER SAFRANSKIHet kwaad of het drama van de vrijheid, vertaling: Mark Wildschut, 2001, Amsterdam/Antwerpen, Atlas, 3de druk, 280 blz., ISBN 90-450-0655-3.