De grootste karakteracteur van Hollywood

Voor doorleefde, dramatische rollen moet je bij Al Pacino zijn. Dat bewijst deze rasechte karakteracteur deze dagen nog maar eens met zijn vertolking van televisiejournalist en -producer Lowell Bergman in The Insider van Michael Mann. Dat Pacino voor zijn knappe acteerprestatie in deze ijzersterke media- en tabaksthriller niet eens een oscarnominatie kreeg, is onbegrijpelijk.Pacino verzamelde in zijn carrière acht oscarnominaties, meer dan welke acteur ook. Maar enkel met zijn vertolking van de verbitterde, blinde kolonel Frank Slade in Scent of a Woman van Martin Brest, ontving hij in 1992 de verdiende oscar.Pacino is uitgegroeid tot een levende legende. Toch is hij een man die zijn afkomst geen enkel ogenblik verloochent, met passie over zijn vak spreekt en zijn privé-leven maximaal afschermt. Hoe minder men van mij weet, hoe meer men in de personages gelooft die ik speel. Dat is de visie van deze mannelijke Greta Garbo.Hij heeft een schitterende filmcarrière en een grote status als filmster, maar de echte wortels van Al Pacino liggen in het theater. Pacino ziet zichzelf als een echt theaterbeest. Ik hou meer van theater dan van film. Op de planken is het voor mij begonnen. Daarom heb ik er een natuurlijke band mee en voel ik me er het meest op mijn gemak, zegt hij tijdens een ontmoeting in New York. Hij speelde al in een dertigtal stukken. Zijn voorkeur gaat uit naar schrijvers als Eugene ONeill, David Mamet en vooral William Shakespeare. Pacino wordt niet voor niets de Hamlet van Hollywood genoemd. Zijn laatste theaterrol dateert van de herfst van 1996 in het door hemzelf geregisseerde Hughie van Eugene ONeill in het New-Yorkse Circle in the Square Theater. Binnenkort doet hij off-Broadway zijn heroptreden als koning Oedipus in de gelijknamige tragedie van de Griekse tragicus Sophocles in een regie van Estelle Parsons.Al Pacino woont en werkt in New York. Hij nestelde zich in Sneden Landing, een rustige buitenwijk van New York, en runt zijn productiebedrijf op de 49ste verdieping van een wolkenkrabber in Midtown Manhattan. Vanuit zijn kantoor kan hij zien waar hij opgroeide: de South Bronx.Alfredo James Pacino werd op 25 april 1940 geboren in East Harlem, als enige zoon van Siciliaanse ouders. Zijn familie emigreerde goed honderd jaar geleden naar de VS. Zijn ouders hadden het niet breed en dat is volgens Pacino de reden waarom zijn vader Salvatore zijn moeder Rose in de steek liet, toen hij twee jaar was. Hij kon onze armoede niet langer aan. Mijn vader was een tijdje militair tijdens de Tweede Wereldoorlog. Na zijn thuiskomst ging hij verzekeringen verkopen. Ik weet heel weinig over hem.Na de scheiding trokken Al en zijn moeder in bij hun Siciliaanse grootouders in een flatje in een armenwijk in de buurt van de Bronx Zoo. Pacino herinnert zich dat zijn grootvader en grootmoeder met elkaar Italiaans praatten als hij niet mocht weten waarover het gesprek ging. De kleine Alfredo ontwikkelde zich tot een overgevoelig en vooral overbeschermd kind, dat alleen het huis niet uit mocht. Zijn moeder had de buitenwereld voor hem tot verboden terrein verklaard. Tussen de vier muren van het flatje werd zijn passie voor acteren geboren. De kleine Alfredo mocht op zijn eentje dan wel het huis niet uit, zijn moeder nam hem na haar werk vaak mee naar de bioscoop. De volgende dag probeerde ik de personages die ik in de bioscoop had gezien voor mijn grootouders na te spelen. Daarnaast bestond mijn publiek ook nog uit twee dove tantes die bij ons vaak over de vloer kwamen. Zo is het allemaal begonnen, lacht de acteur. Hij looft zijn overleden moeder, omdat ze hem altijd aanmoedigde acteur te worden.Zijn improvisatietalent viel op de lagere school meteen op. Alfredo was dan wel een zwakke leerling, zijn leraars ontdekten al vlug zijn aangeboren talent om mensen na te bootsen, iets op te voeren en de clown uit te hangen. Zij lieten hem zijn eerste acteerstappen doen in schooltoneelstukken en drongen er bij zijn moeder op aan dat hij van acteren zijn beroep moest maken. Daartegenover stond volgens de acteur dan weer de harde realiteit. We moesten brood op de plank hebben en elke maand moest de huur betaald worden. Acteren leek in vergelijking bijkomstig, maar toch sluimerde de hele tijd bij mij het verlangen er mee door te gaan, aldus Pacino.Op zijn veertiende wist hij het zeker. Hij ging met zijn moeder naar een opvoering van Tchekhovs The Seagull in het Elsmere Theater in de South Bronx en was in alle staten. Onder impuls van zijn leraars én zijn moeder werd hij als beursstudent toegelaten tot de befaamde Manhattans High School of the Performing Arts. Maar de lessen interesseerden hem niet en op zijn zeventiende besloot hij met zijn studies te stoppen. Hij liet meteen ook zijn moeder in de steek en nam de metro naar Manhattan. Pacino heeft het er vandaag nog moeilijk mee, omdat zijn moeder stierf toen hij 22 was. Een jaar later stierf ook zijn grootvader, die hem bijzonder na aan het hart lag. Al Pacino begon een zwerversbestaan. Hij sloot zich aan bij de bohémiens van Greenwich Village en maakte er deel uit van de artistieke commune. De volgende acht jaar bestond zijn voornaamste bekommernis erin als worstelende acteur op de een of andere manier de eindjes aan elkaar te knopen. Hij had allerlei jobs. Nu eens kwam hij als postbode aan de bak, dan weer deed hij dienst als conciërge in een appartementsgebouw. Ondertussen volgde hij acteerlessen en werkte hij zich vooral in kindertheaterproducties en satirische revues uit de naad om opgemerkt te worden als acteur.Toen hij genoeg geld had gespaard, liet hij zich inschrijven in de Herbert Berghof Studio, waar hij als acteur werkte onder leiding van dramacoach Charles Laughton. Charlie werd mijn beste vriend en mentor. Hij drukte een grote stempel op mijn ontwikkeling als acteur. Bovendien introduceerde hij me in de wereld van de literatuur. Hij gaf me de opvoeding die ik had gemist door het vroegtijdig afbreken van mijn studies. Ik leefde toen nog steeds in de Village. Dat was in die dagen één grote aaneenschakeling van café-theaters en theatergezelschappen van diverse pluimage. Ik was er een tijdje lid van het avant-gardegezelschap The Living Theater van Julien Beck en Judith Malina. Tegelijk kreeg ik er de smaak voor klassiekers te pakken, vertelt de acteur.Uiteindelijk werd Pacino in 1966 geaccepteerd door artistiek directeur Lee Strasberg, zijn tweede mentor, om lid te worden van de befaamde Actors Studio. Toch noemt Pacino, die bekend staat voor zijn grondige voorbereiding op elke rol, zichzelf geen Method-acteur. Ik maak bijvoorbeeld geen gebruik van sense memory, dé basisregel van de Method-techniek. Die bestaat eruit dat je persoonlijke ervaringen en traumas uit het verleden naar boven haalt om bepaalde gevoelens te spelen. De Actors Studio zag ik nooit als een school. Het was meer een forum en een workshop om te oefenen en te experimenteren met emoties, zegt de acteur.Vanaf zijn intrede in de Actors Studio begon voor Pacino het tij te keren. Zijn bekendheid steeg langzaam maar zeker. Eerst liet hij zich in 1966 opmerken aan de zijde van James Earl Jones in de off-Broadwayproductie van John Wolfsons The Peace Creeps. Het jaar daarop sloeg hij gensters met zijn optredens in America Hurrah en Awake and Sing in het Charles Playhouse van Boston. In 1968 speelde hij eerst in Waterford, Connecticut, maar keerde dan terug naar New York om er zijn eerste onderscheiding te behalen met de hoofdrol in de off-Broadwayproductie The Indian Wants the Bronx van Israel Horovitz. Pacino kreeg schitterende kritieken en Broadway lonkte.Een jaar later was het zover. Pacino debuteerde in een bijrol als de psychotische junkie Bickham in Does a Tiger Wear a Necktie? in een regie van Michael Schultz. De productie werd al na 39 voorstellingen opgedoekt, toch hield Pacino er in 1969 zijn eerste Tony Award voor beste bijrol aan over. Vooral zijn intense stijl en inlevingsvermogen in een rol maakten grote indruk. Nog in datzelfde jaar maakte hij zijn filmdebuut met een piepkleine rol in het drama Me Nathalie van Fred Coe.In 1971 had Pacino zijn eerste hoofdrol te pakken als heroïneverslaafde in het op ware feiten gebaseerde, ruige drugsdrama The Panic in Needle Park van Jerry Schatzberg. Het betekende zijn grote doorbraak als filmacteur. Dat had hij enkel aan zijn theaterverleden te danken. Toenmalige superster Faye Dunaway had Pacino immers aan het werk gezien in The Indian Wants the Bronx en tipte haar manager Martin Bregman hem in het oog te houden. Vervolgens trok hij met zijn bijrol in Does a Tiger Wear a Neckie? de aandacht van filmproducent Dominick Dunne. Die was op zoek naar een acteur voor de hoofdrol in het door zijn broer John Gregory en schoonzus Joan Didion geschreven The Panic in Needle Park. Door de inspanningen en het enthousiasme van Dunne en Bregman werd Pacino ontdekt. Bregman werd vanaf dat ogenblik de vriend en vaste producent van Pacinos films zoals Dog Day Afternoon uit 1974 en Scarface uit 1983.Door zijn rol van de wanhopige jonge junkie maakte Pacino een bijzondere indruk op Francis Ford Coppola. Die laatste had hem al in het theater aan het werk gezien en gaf hem de sleutelrol van Michael Corleone, de zoon van Marlon Brando in The Godfather uit 1972. Zijn sublieme vertolking leverde hem zijn eerste oscarnominatie op, en de drie daaropvolgende jaren was het telkens raak met knappe acteerprestaties in Serpico, The Godfather Part II en Dog Day Afternoon uit 1975.Het jaar daarop braken zwarte tijden aan voor de acteur. Eerst moest Pacino zijn meer dan tien jaar oude drankverslaving toegeven. Vrienden konden hem ervan overtuigen een ontwenningskuur te volgen, tegen 1977 was hij van zijn drankprobleem verlost. Vervolgens maakte hij de ene foute filmkeuze na de andere. Bobby Deerfield van Sydney Pollack uit 1977 was daar het eerste voorbeeld van. ...And Justice for All leverde hem twee jaar later wel zijn vijfde oscarnominatie op, maar de prent flopte. De misdaadfilm Cruising uit 1980 en de komedie Author! Author uit 1982 waren artistieke rampen.Even kon Pacino zich herpakken met een glansvertolking in Brian de Palmas culthit Scarface uit 1983, maar de grote ontnuchtering volgde in 1985, toen het peperdure oorlogsdrama Revolution van Hugh Hudson zwaar tegenviel. Pacino vond dat het hoog tijd was met filmen te stoppen. Vier jaar lang maakte hij geen enkele film, hij keerde terug naar het theater. Daar viel hij wél op, bijvoorbeeld met zijn vertolking van Julius Caesar in 1987 in het gelijknamige stuk van William Shakespeare.In 1989 maakte hij zijn commerciële comeback op het witte doek in Harolds Beckers Sea of Love. Daarna bleef Pacino de artistieke en commerciële successen aan elkaar rijgen met twee oscarnominaties voor zijn bijrollen in Dick Tracy uit 1990 en in Glengarry Glen Ross uit 1992, en zijn oscarvertolking in Scent of a Woman als hoogtepunten. In 1995 schitterde hij aan de zijde van Robert de Niro in de misdaadthriller Heat van Michael Mann, de maker van The Insider.Ondertussen bereidde hij zijn debuut als regisseur voor. Dat werd het door hemzelf geschreven en gefinancierde Looking for Richard uit 1996. Hierin ondernam hij een poging om Richard III te doorgronden met als ultieme doel Shakespeare toegankelijk(er) te maken voor het Amerikaanse publiek. In dat opzet slaagde hij slechts gedeeltelijk. Binnenkort komt Chinese Coffee, zijn tweede film als regisseur, in roulatie. Net als in Looking for Richard neemt Pacino opnieuw de hoofdrol voor zijn rekening, in deze onafhankelijke film, die op het gelijknamige toneelstuk van Ira Lewis gebaseerd is. De acteur speelde eerder al in 1992 op Broadway de hoofdrol in Chinese Coffee. Ondertussen is het ook uitkijken naar Oliver Stones blik achter de schermen van de Amerikaanse footballwereld in Any Given Sunday. Pacino kruipt er al weer schitterend in de huid van een al wat oudere, doorgewinterde coach. JTi