Advertentie
Advertentie

De mythische denkwijze van Paul Klee

In het Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam loopt de tentoonstelling Paul Klee en het Masker van de Mythologie. In de kunst van Klee blijven oude vormen doorwerken - grootstadkunst, mythes, kindertekeningen, droedels. Dat is in de stille film, het expressionistische theater, bij andere schilders rondom hem niet anders. Die oude, primitieve vormen fascineerden de verbeelding van de twintigste eeuw. Dat staat in scherp contrast met de manier waarop wij cultuur als progressieve evolutie zijn gaan duiden. Die oude vormen komen van lang voor de geschiedenis. Ze ondersteunen niet een gevestigde weg voor de kunst, maar ondergraven die; ze suggereren geen stabiele oplossingen, maar een onophoudelijke beweeglijkheid. Het heel primitieve is dynamiet. Het is materiaal dat kunst voedt en tegelijk in gevaar brengt. De kunst exploreert hier de verborgen figuren, mythische maskers, angstwekkende verschijningen van de andere. Klee is in dat opzicht niet anders dan Ernst, Kandinsky of Breton. Ze stappen overmoedig dat destabiliserende tegemoet. Tegenover deze kunst van de problematische, geheime, haast occulte oorsprong, staat een modernistische kunst van de onproblematische toekomst, gebouwd op een formeel tabula rasa. De geometrie tegenover de narratieve oerfiguren; het heldere vierkant tegenover het glimmende masker. Blaue Reiter tegenover Bauhaus. Mythe tegenover idee. Het is haast als de tegenstelling tussen kleur en lijn in de 17de eeuw.De Klee-tentoonstelling in Rotterdam, afkomstig uit München, onderzoekt het thema, of toch één deel ervan: de referenties naar mythologie in het werk van Klee. Het uitgangspunt is zeer letterlijk: men gaat voort op de titels van de werken. Mythologisch materiaal insinueert zich ook heel anders in het kunstwerk - op een verborgen manier, niet alleen als figuur en drama maar ook als proces, als logica. Zo geeft Kandinsky aan een lange reeks werken de naam Compositie met alleen maar een volgnummer erachter. Zakelijker kan niet. Toch herken je moeiteloos zo niet mythische figuren, dan toch geëmotioneerde lijnen van mythische afmetingen en zeggingskracht. Het mythische denken treedt mogelijk ook in de plastische organisatie zelf van het werk op. Niet de letterlijke verwijzing naar mythologie is dan doorslaggevend (dat gebeurt slechts in een kleine fractie van Klees werk), wel iets als het mythologische denkproces als zodanig. Dat is helaas niet het onderwerp van de tentoonstelling. In het werk van Klee speelt de lijn een strategische rol. De lijnen van Klee zijn van opvallende diversiteit in de loop van zijn veertig jaar schilderen en tekenen. Maar het is nooit de lyrische, zangerige, meeslepende, bedwelmende lijn van Kandinsky. Klee is hard, scherp, haast hysterisch. Klee is een karikatuurtekenaar en hij blijft dat tot in het meest geometrische werk. Klee is atonaal, Kandinsky melodieus. Klee is koud, Kandinsky warm. Voor beiden is kunst uiteindelijk muziek (men herinnere zich de onvolprezen tentoonstelling Klee et la musique van 1985 in het Centre Pompidou). Maar ze componeren beiden in een heel ander muziekidioom. Kandinsky met een exotisch klinkend warm orkest, Klee maakt kamermuziek vol striemende dissonanten. Beiden hanteren relatief kleine formaten. Ze durven de grote formaten (zoals Matisse) niet aan. Het zijn geconcentreerde kunstenaars, voorovergebogen aan een bureau over een blad papier, zittend, de ogen op 20 centimeter van het blad. Tussen Klee en zijn blad liggen de draden van een afstandelijke poppenmeester. Hij manipuleert eerder dan zich uit te drukken. Hij wijst met een lange meetlat op afstand aan. Vandaar dat zijn hele werk aanvoelt als iets dat zich in een zelf opgelegde marge afspeelt. Alles is commentaar, glosse, variatie in de marge van een immense oertekst. Heel zijn werk is calligrafische virtuositeit. Ieder beeld is commentaar op een ander beeld. Zijn immense oeuvre bestaat alleen maar uit kanttekeningen, voetnoten. Alles is fragment. Een verzameling plastische Pensées waaruit ieder zijn kleine subverzameling kan samenstellen, maar waarvan niemand het geheel kan overzien. Wie in de marge zit kan grappig, ironisch, ijskoud zijn. In de marge klinkt de onvrede, de twijfel, de dissonante positie door. Hij hoeft niet plechtig te declameren (zoals Max Beckmann, die veel nadrukkelijker een mytholoog was). Klee heeft geen verhaal, geen these, maar bedenkingen erbij. Hij kijkt opzij, achterom, buigt het verhaal in een andere richting. Het drama is nooit rechtstreeks, in eerste graad aanwezig, hij onderwerpt het aan toonverschuivingen. Er is iets bijtends in zijn lijn, een scherpheid die tegelijk licht en kwetsend is. Hoe belangrijk ook de kleur is in zijn kunst, toch valt het telkens weer op dat de lijn niet alleen de architectuur van het werk bepaalt, maar eigenlijk een andere logica volgt, vanuit een centralere positie het geheel domineert. De lijn legt een stoute, soms grappige scheidende wet op aan het chromatische dat vloeiend van het een in het andere overloopt. De lijn van Klee is allereerst een betekenend teken, slechts in de tweede plaats een tekenende lijn. Ze volgt zwak de contouren van een figuur om zo een analoog beeld te bekomen; men voelt dat dat niet het ideaal van Klees lijn is, maar eerder hoe de lijn gedachten volgt, ordent, conceptualiseert, om uiteindelijk te oordelen. Het is geen lijn die streelt (Matisse), maar denkt. Daarin is ze ook enigszins monotoon. Klee zet de lijn nooit in tussen contour en kleurvlak. Hij laat de lijn zoals bij Picasso nooit scharnieren tussen volume en vlak, tussen figuur en geometrie, tussen kleur en kleurloosheid. Klee zet lijn tegen kleur. Daardoor is zijn werk sprookjesachtig, maar weinig sensueel. Hij doopt het denken van zijn stift nooit in de lust. Zijn denken is fundamenteel ironisch. Omdat we door de organisatie van de tentoonstelling op de mythische personages letten en aan verhalen en karakters moeten denken, ontgaat ons dat de metamorfose niet alleen een mythologisch verhaalthema is, maar eigenlijk de sleutel is van het mythologische denken zelf. Voor het denken via mythes is de transformatie essentieel. Dat zie je goed bij Klee. Het ene beeld is een metamorfose van een ander beeld. Het onderzoek van Klee betreft niet in de eerste plaats bestaande mythes, maar is het gehoorzamen aan het mythische denken zelf. Daarom ook dat zijn oeuvre zovele duizenden nummers telt: Klee streefde niet naar definitieve werken die een stabiele uitdrukking zouden zijn van een mythe, hij streefde naar de eindeloze productiviteit die eigen is aan het leven van het mythische materiaal. Het is een denkwijze in de diepte van de samenleving, in de hoofden van mensen, doorheen de nooit aflatende droomarbeid van beide. Essentieel in die mythische denkwijze bij Klee is dat hij niet in een trance, in een surrealistische écriture automatique, of in onstuitbare dromen terechtkomt. Dat zijn allemaal posities waarbij je overspoeld en overweldigd wordt door het anonieme mythische geweld (zoals bij Jackson Pollock). Nee, Klee gebruikt het proces, van op een zekere afstand, met enige gereserveerdheid. Hij droomt minder dan hij commentaar geeft bij dromen, variaties voorstelt op een mythische situatie. Hij kanaliseert het mythische tot een geordende manier van werken; hij onderwerpt het primitieve aan de onderzoekslogica van een modern artistiek laboratorium. Hij dwingt het primitieve in gesprek te gaan met de modernistische logica. Zo zie je Klee twee regels volgen die elkaar niet versterken, maar op zeer gespannen voet met elkaar staan. DLPaul Klee en het Masker van de Mythologie, in: Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam, van 10.00 tot 17.00 van dinsdag tot zaterdag, op zondag van 11.00 tot 17.00. Gesloten op maandag. Tot 21 mei. Tel. 00/31/10/44.19.400.