Advertentie
Advertentie

De onblusbare rivaliteit tussen Mario de Clercq en Erwin Vervecken

In Wortegem-Petegem wordt morgen, zondag, de nationale Wereldbekerwedstrijd Veldrijden gereden. Hoewel de grote, stilaan eeuwige belofte Sven Nijs dit seizoen de beste indruk heeft nagelaten, wordt het toch een zoveelste revanche tussen de laatste Belgische wereldkampioenen: Erwin Vervecken, goud in 2001, en Mario de Clercq, titelhouder in 1998 en 1999. Daar ontwikkelde zich ook de nimmer versagende rivaliteit tussen de twijfelende Kempenaar Vervecken en de linke Oost-Vlaming De Clercq. televisie leverde het op, die laatste meters van het wereldkampioenschap in het Slovaakse Poprad, 1999. Erwin Vervecken stevende ogenschijnlijk op de zege af. Enkele bochten voor de eindstreep veranderde het scenario en werd zijn droom een nachtmerrie. Teamgenoot en uittredende wereldkampioen De Clercq wipte in de ultieme jump over Vervecken heen. Het leek een bescheiden heruitgave van het beruchte incident uit 1963 tussen Benoni Beheydt en Rik van Looy. De verbouwereerde Vervecken schold De Clercq uit voor het vuil van de straat en banbliksemde hem als een judassende woordbreker. De overgelukkige De Clercq wist zich van de prins geen kwaad en staarde als de vermoorde onschuld in de camera.Tussen Vervecken en De Clercq botert het sindsdien niet meer, en dat verdient het predikaat understatement van het jaar. De immer rustige Kempenaar ontsteekt nog steeds opnieuw in toorn bij de herinnering aan de voor hem dramatisch verlopen regenboogrit. De verontwaardiging luwde amper nadat Vervecken zich op zijn beurt naar het hoogste podium piloteerde in 2001. Hij werd daarmee de achtste Belgische wereldkampioen uit de geschiedenis en bracht het totaal aantal regenboogtruien op achttien. Ter vergelijking: Frankrijk volgt op de tweede plaats met tien titels. Jean RobicHet idee achter het veldrijden bestaat ruim een eeuw. De Franse soldaat Daniel Gousseau ondervond dat hij op zompige weilanden per fiets bijna zo snel vooruit raakte als met zijn paard. Gousseau besloot vervolgens in het veld fietswedstrijden te organiseren en doopte zijn vondst om tot le cross-country-cyclo-pédestre. Tot aan de Tweede Wereldoorlog bleef veldrijden een regionaal verschijnsel.Het eerste wereldkampioenschap werd pas in 1950 georganiseerd, vanzelfsprekend in Parijs. Het verbaasde niemand dat de Franse wegrenner en Tourlegende Jean Robic de regenboogtrui omgordde. Op de Franse overheersing stond gedurende het hele decennium geen maat. Tot in 1958 wapperden de tricolores aan de hoogste mast. Roger Rondeaux (3) en André Dufraisse (5) specialiseerden het ambt. Het veld vereiste stilaan enig métier. Na het Franse tijdperk volgde het era van een Italiaan en een Duitser. Renato Longo (5) en Rolf Wolfshohl (3) verdeelden het goud tussen 1959 en 1967. Intussen waren twee Vlaamse woonwagenjongens opgestaan. Met de ongrijpbaarheid van gitanekinderen veranderden Eric en Roger de Vlaeminck het aanzien van hun sport. De allergrootste pédaleurs uit de bonte geschiedenis van de cyclocross introduceerden de Belgische wielertraditie ook in het veld. Sierlijk, sterk en slim. Ze verheerlijkten de kunst van het crossen. Ze bezaten de bluf, de elegantie en de eenzaamheid van de circusacrobaat. Tot hun relatie verkilde na het WK van 1975, gewonnen door Roger, maar voorbestemd voor Eric, die net terugkeerde uit een periode met lichamelijke en geestelijke problemen. Tot vandaag lopen de broers elkaar liever niet voor de voeten.Tussen 1966 en 1975 klonk liefst negen keer de Brabançonne over de koude en natte wintervlakten. Eric (7) en Roger (1) de Vlaeminck en Albert van Damme (1) verbrijzelden elke illusie van de tegenstand. De traditie werd in de jaren tachtig voortgezet door Roland Liboton, de geestelijk erfgenaam van Eric de Vlaeminck op het vlak van stijl, levensopvatting en gedrag. Daartussen gaven ook enkele Nederlandse boerenjongens het veld nog wat kleur, zoals vader en zoon Groenendaal, Hennie Stamsnijder en Adri van der Poel.EllendeDe mannen van het veld zijn de gastarbeiders van het wielrennen. De wegrenners bekijken hen met pretentie, behandelen hen als uitschot. De crossers zijn de sales flamands. Hun bestaan is als Leven en dood in den ast, zoals Stijn Streuvels ooit de barre tijden van Vlaamse landarbeiders beschreef. Krachtmensen die opleven in de geur van slijk en plassen en doorgaan tot het niet meer kan. Veldrijden is in wezen tot vandaag - ondanks de betere contracten, de minder stugge omlopen en het commerciëlere circuit een ongelijke strijd van de zonen van het land tegen de bijna altijd vijandige natuur. De crosser als de Flandrien zoals hij was: bestand tegen inspanning en pijn, conflictueus en weerspannig, een jongen die voluit tegen de stroom in oproeide omdat achter hem alleen de ellende lag.Wie kiest voor het professionele veldrijden, weet dat hij zich tevreden moet stellen met de kruimels van de tafel. Hij is een avonturier, die overlevingskunst paart aan hetzij sierlijke stuurvaardigheid, hetzij kolderieke crossersmentaliteit. Hij tracht zich met alle middelen op te werken van de onderste sport van de hiërarchische ladder. De crosser is een hyperindividualist. Hij is een vrije vogel. Zijn collega is de vijand, in tegenstelling tot het wielrennen op de weg, waar solidariteit vaak een noodzakelijke voorwaarde tot overleven is. Zie de samenwerking van slechte klimmers in de Ronde van Frankrijk, of de wijze waarop concurrenten soms een tegennatuurlijk bondgenootschap aangaan. Onder het motto: vandaag ik, morgen jij. In de cross is het ieder voor zich. De omlopen zijn te snel om overwinningen te regelen. Anders dan in het veldlopen schelden crossers naar believen elkaar de huid vol. Het deert niemand, het hoort erbij.Complete crosserDeze mentaliteit maakte Mario de Clercq groot. Erwin Vervecken ging er ei zo na aan ten onder. Groter kan het contrast in achtergrond en beleving amper zijn.Erwin Vervecken werd door bondscoach Eric de Vlaeminck geroemd als grootste Belgische talent en gekneed voor de wereldtop. Roger de Vlaeminck plukte Mario de Clercq uit de goot na een mislukt avontuur als beroepsrenner. Onder de vleugels van Eric de Vlaeminck groeide Vervecken uit tot de complete crosser: op de weg fietsen, in het veld lopen, door de modder rijden, balkjes nemen. Alleen zijn mentale zwakte bleef hem parten spelen. De eeuwige twijfelaar kreeg de koers niet onder controle. Roger de Vlaeminck leerde Mario de Clercq sturen in het veld, schaafde zijn techniek bij en gaf zijn al niet aan bescheidenheid overgeleverde beschermeling nog een mentale injectie. Hij wist dat die niet met open armen zou ontvangen worden in het wondere wereldje van de cyclocross. De Clercq liet zich niet pramen en strooide meteen breed in de pers uit dat de Kempische connectie rond Erwin Vervecken hem letterlijk in de wielen reed: Omdat ze beseften dat ik de beste was. De plantrekker voelde er zich zeer wel bij. Hij keek de kat uit de boom en profiteerde vaak op sluwe wijze van de onenigheid bij de concurrentie. Vervecken woelde in zichzelf en was te braaf op het moment van de waarheid. De Clercq, op dat gebied veel meer boef, zou Vervecken in het omgekeerde geval in Poprad geen schijn van kans hebben gegund. Geen millimeter passeerruimte, desnoods met het nodige gevloek, gesleur en handgemeen na de finish. Het harde cyclocrosscircuit wordt nog steeds beheerst door avonturiers. De vlegelachtige Mario de Clercq begrijpt dit beter dan wie ook. De beschaafde Erwin Vervecken, die enigszins naïef collegialiteit nastreeft, is ondanks zijn wereldtitel in zekere zin een wat onwennige vreemdeling in zijn eigen sportdiscipline gebleven. Toch zal de wraak zoeter smaken dan ooit als hij zondag Mario de Clercq in diens thuishaven Wortegem-Petegem in het zand kan doen bijten.In deze rubriek zoekt sportschrijver Raf Willems elke week naar de nuances in de hectische wereld van de topsport.