De overgang naar de chartale euro

Met de introductie van de euromuntstukken en -biljetten werd op 1 januari de muntunie in Europa definitief voltooid. Voortgaande op de eerste dagen lijkt de omruiloperatie vlot te zullen verlopen. De inschatting van de Europese Commissie dat het overgrote deel van de EMU-burgers al na 3 tot 4 weken volledig op de chartale euro zal zijn overgeschakeld, is realistisch. Hoewel de overstap niet meer is dan een technische en logistieke operatie, zal de invoering van de euro de komende weken en maanden vermoedelijk heel wat psychologische aanpassingsproblemen veroorzaken.Emotioneel wordt het verdwijnen van de eigen bekende munt bij sommige bevolkingsgroepen ervaren als het verlies van een belangrijk nationaal symbool. Zo is de sterke emotionele gehechtheid van de Britten aan het pond een belangrijke reden waarom het VK tot dusver niet tot de EMU is toegetreden. Binnen de eurozone speelt dit emotionele gegeven vooral voor de voormalige sterke munten, zoals de mark. Verder zullen particulieren in het betalingsverkeer moeten wennen aan de waarde van de euro.Met uitzondering van Ierland zijn in alle EMU-landen bedragen in euro lager zijn dan hun voormalige tegenwaarde in nationale munten en in een aantal landen, zoals België, worden cijfers na de komma weer belangrijk. Dit kan bij particulieren de illusie wekken dat goederen en diensten goedkoper zijn geworden of dat zij een vermogens- of inkomensverlies lijden. De traditionele economische theorie gaat wel uit van de afwezigheid van zulke geldillusie, maar psychologische experimenten trekken dat in twijfel. Of een en ander per saldo enig beduidend effect op het consumenten- en producentengedrag zal uitoefenen is a priori onzeker. Bovendien kan dit effect tussen de lidstaten verschillen doordat de omrekeningskoers naar de euro voor sommige munten eenvoudiger hanteerbaar is dan voor andere. Psychologisch onderzoek leert alvast dat individuen minder prijsgevoelig worden naarmate de prijzenschaal van goederen en diensten wordt samengedrukt. Ook zouden cijfers na de komma bij aankoopbeslissingen minder sterk wegen dan die vóór de komma. Aangezien het nominale prijsverschil tussen concurrerende goederen en diensten in euros kleiner zal zijn dan in de vroegere nationale munten (behalve in Ierland) en vaker slechts na de komma tot uiting zal komen, zou dit betekenen dat prijsconcurrentie het aankoopgedrag minder zou beïnvloeden en consumenten meer oog zouden hebben voor de kwaliteitsverhoudingen tussen vergelijkbare producten.Bedrijven kunnen anderzijds bij de omzetting naar europrijzen misbruik maken van het tijdelijk verlies aan referentiekader bij de consumenten door op zoek te gaan naar hogere prijzen die op of net onder een afgerond bedrag liggen en eindigen op een 5 of een 9. Blijkbaar eindigen in de EMU gewoonlijk zowat 90 procent van de detailhandelsprijzen op een van die twee cijfers. Een simpele kijk in de etalages leert dat Belgische handelszaken nu al massaal psychologische prijzen in euros hanteren. Om tot nieuwe psychologische prijsdrempels te komen, kunnen bedrijven ook veranderingen doorvoeren in de verpakte hoeveelheden of het standaardgewicht van goederen.Alles bij elkaar zal de introductie van de nieuwe chartale geldeenheid de komende maanden toch waarschijnlijk slechts beperkte gedragsreacties bij consumenten en producenten losweken. Bijgevolg zal ook het effect op de macro-economische activiteit en prijsontwikkeling in de EMU vermoedelijk weinig significant zijn. Wel kunnen allerlei logistieke problemen tijdelijk wegen op de handelsactiviteit. Zo zou volgens de Europese Kleinhandelsfederatie een toename van de gemiddelde transactietijd met 30 seconden een daling van de dagelijkse handelsomzet met circa 15 procent veroorzaken. Bovendien creëert de geringere prijstransparantie in de eerste weken na de omschakeling onzekerheid, die consumenten kan aanzetten om hun geplande aankopen uit te stellen of af te zien van impulsaankopen. Of bedrijven en kleinhandelaars hun prijzen effectief zullen verhogen, hangt af van hun prijszettingsmacht. Die kan op korte termijn mogelijk wat toenemen, maar zodra de nieuwe prijzen zijn ingeburgerd, zal zij veeleer afnemen aangezien de prijzen meer dan voorheen over de grenzen van de EMU-lidstaten vergelijkbaar zullen zijn. Vooruitziende bedrijven kunnen daarop inspelen door naar aanleiding van de euroconversie hun prijzen juist naar beneden af te ronden om zo hun cliëntentrouw en marktaandeel op lange termijn te vergroten. Bedrijven die verdoken prijsverhogingen toepassen, riskeren bovendien reputatieverlies, want consumentenorganisaties zullen niet nalaten hen hiervoor openlijk te berispen.Ook al zal de omschakeling hoogstens tijdelijk fricties in het economisch ruilverkeer veroorzaken (en dit wel des te meer in die landen waar de bevolking relatief minder over de euro is geïnformeerd en de nominale verandering van de geldeenheid het grootst zal zijn), dan nog gaat het uiteindelijk om niet meer dan aanpassingsproblemen waarvan de nadelen op lange termijn ruimschoots door de voordelen van de muntunie zullen worden overtroffen. Deze voordelen spruiten in de eerste plaats voort uit de positieve invloed op de handel in de EMU. Volgens conservatieve ramingen zou de eenheidsmunt de handel in de eurozone tijdens de komende twee decennia met 50 procent doen toenemen. Daardoor zou de economische groei in dezelfde periode met 5 procent, of gemiddeld 0,25 procent per jaar verhogen dankzij meer specialisatie en benutting van schaalvoordelen. De productiviteitswinst die daarmee gepaard gaat, de grotere vergelijkbaarheid van de prijzen en de grotere interne concurrentie zullen de inflatie doen afnemen en zo de groei van de reële gezinsinkomens ondersteunen. Uit vergelijkende statistieken van de Europese Commissie blijkt dat de prijsverschillen voor homogene elektronische consumentengoederen in de EU de afgelopen vijf jaar al met zowat 30 procent naar elkaar zijn toegegroeid, maar toch nog tot 50 procent kunnen oplopen. Gemiddeld kunnen EU-consumenten nog 12 procent besparen op hun totale uitgaven door zich die goederen telkens in het goedkoopste land aan te schaffen. Ten dele blijven dergelijke prijsverschillen na de invoering van de chartale euro bestaan, als gevolg van onvolmaakte distributienetwerken, prijszettingsmacht van lokale producenten of sterke merken, verschillen in indirecte fiscaliteit en sociale zekerheid. Doordat belastingen, sociale bijdragen en tarieven van overheidsdiensten overal in de EMU in dezelfde rekeneenheid zullen zijn uitgedrukt, zullen ook op deze vlakken de verschillen tussen de EMU-landen zichtbaarder worden. Dat kan een zekere concurrentie tussen nationale overheden en een efficiënter werking van het overheidsapparaat bevorderen.Johan VAN GOMPELDe auteur is Hoofd Economische Research, KBC Asset Management, en gastdocent EHSAL