De plotselinge zendingsdrift van George W.

De Amerikaanse president, George W. Bush, vertoefde de voorbije dagen in Afrika. Niet als toerist op safaritocht maar op officieel staatsbezoek. Geen enkel lid van zijn entourage had er bij Bush' aantreden als president een cent op verwed dat de Texaan tijdens zijn eerste ambtsperiode in Afrika verzeild zou raken. Waarom zouden ze ook? Nog nooit had een Amerikaans staatshoofd van republikeinse signatuur zich de moeite getroost het Afrikaanse continent met een officieel bezoek te vereren. En had George W. zelf in de aanloop naar de presidentsverkiezingen niet verklaard dat Afrika op zijn lijst met buitenlandse prioriteiten helemaal onderaan bengelde? Hoe valt die plotselinge zendingsdrift van de Texaan dan te verklaren? Sinds de presidentsverkiezingen van 2000 is het prioriteitenlijstje van George Bush grondig overhoop gehaald. De terreuraanslagen van 11 september 2001 zijn daar niet vreemd aan. Meer dan ooit beseffen de Amerikanen dat arme (Afrikaanse) landen met zwakke regeringen een ideale voedingsbodem zijn voor het terrorisme en een perfecte uitvalsbasis kunnen worden voor terroristen. De recente oorlog tegen Irak wees de Amerikanen bovendien op een ander oud zeer: hun afhankelijkheid van het Midden-Oosten wat hun oliebevoorrading betreft. Maar die regio is erg instabiel. Alternatieven dringen zich op. Na een snelle prospectie van de markt lieten de Amerikanen hun oog vallen op Afrika, en meer bepaald Nigeria. Dat land is de zesde olieproducent ter wereld. De VS importeren nu 15 procent van hun olie uit Afrika ten zuiden van de Sahara. Tegen 2015 willen ze dat opvoeren tot 25 procent. Achter de plotselinge Afrikatrip van Bush schuilt ook een electorale drijfveer. De volgende presidentsverkiezingen in de VS naderen immers met rasse schreden. Bush wil in november volgend jaar tot elke prijs een tweede ambtstermijn in de wacht slepen. De ervaring leert de Texaan dat elke stem telt. Die van zijn conservatieve achterban maar ook die van de zwarte gemeenschap. Beide groepen morden de afgelopen maanden omdat de president zich te veel liet meeslepen in zijn oorlog tegen het terrorisme. Bush moest de conservatieven er dus dringend van overtuigen dat barmhartigheid ook zijn deel is en dat hij zich het lot van 's werelds armsten wel degelijk aantrekt. Een charmeoffensief naar de zwarte gemeenschap drong zich ook op. In 2000 stemde immers nog geen 10 procent van de zwarte Amerikanen voor de republikein. En dus trok Bush de voorbije week met een koffer vol beloften naar Senegal, Zuid-Afrika, Botswana, Uganda en Nigeria. De Amerikaan beloofde de Afrikanen de komende vijf jaar 15 miljard dollar (13,2 miljard euro) uit te trekken voor de strijd tegen aids. Daarnaast zei hij hen 10 miljard dollar aan ontwikkelingshulp toe, gespreid over drie jaar. De Afrikanen dreigen echter bedrogen uit te komen. Het Amerikaanse Congres moet immers nog groen licht geven aan de hulppakketten voor Afrika. En de stemming over die hulppakketten lijkt in tijden van oplopende begrotingstekorten alles behalve een formaliteit te worden. Als de VS het Afrikaanse continent trouwens echt willen helpen, maken ze beter werk van de liberalisering van de wereldhandel door te snoeien in de staatssteun aan hun landbouwers. En van een akkoord over goedkope geneesmiddelen tegen aids, tuberculose en malaria voor de Derde Wereld. Onder druk van de farmaceutische sector, een van de belangrijke geldschieters van Bush' Republikeinse Partij, blokkeerde de Texaan dergelijk akkoord totnogtoe. Brousse Zelfs in Afrika bleef het dossier-Irak Bush achtervolgen. In de brousse moest hij toegeven dat de VS worstelen met een veiligheidsprobleem in de Golfstaat nadat woensdag nog eens drie Amerikaanse soldaten doodgeschoten waren. Sinds Bush op 1 mei het officiele einde van de oorlog afkondigde, lieten al 31 militairen het leven bij anti-Amerikaanse aanvallen. Het inspireerde de democratische senator Edward Kennedy enkele dagen geleden tot de volgende uitspraak: 'De best getrainde soldaten ter wereld zijn dezer dagen de doelwitten in een schietstand.' Niet enkel in Irak gaat het de Amerikanen niet voor de wind. De regering-Bush komt ook op het thuisfront steeds meer onder vuur te liggen. Er rijzen almaar meer vragen over de voorwendselen waaronder de VS en het Verenigd Koninkrijk ten strijde getrokken zijn tegen Irak. Drie maanden na de val van Bagdad moeten de coalitietroepen nog steeds het eerste massavernietigingswapen vinden in de Golfstaat. Als die verboden wapens al ooit opduiken. De Amerikaanse minister van Defensie, Donald Rumsfeld, moest enkele dagen geleden toegeven dat de beslissing om Irak binnen te vallen niet gebaseerd was op 'spectaculair nieuw bewijs'. De bestaande bewijzen kwamen na de terreuraanslagen van 11 september 2001 echter in een nieuw daglicht te staan, betoogde Rumsfeld. Het Witte Huis moest afgelopen maandag bovendien erkennen dat president Bush zich in januari tijdens zijn State of the Union vergaloppeerd had. In zijn beleidsverklaring had de Texaan Saddam Hoessein ervan beschuldigd geprobeerd te hebben uranium te kopen in Afrika. Die beschuldigingen waren op niets gestoeld en mochten nooit geuit worden, geeft het Witte Huis nu toe. Bush' entourage probeerde de handen in onschuld te wassen. Ze stelde dat ze zich had laten misleiden door documenten van de Britse inlichtingendiensten. Het uraniumverhaal leidde de voorbije dagen ook tot een spelletje welles-nietes tussen het Witte Huis en de Amerikaanse inlichtingendienst CIA. De inlichtingendienst beweert bij hoog en bij laag dat het de president afgeraden had het uraniumdossier op te nemen in zijn State of the Union. Het staatshoofd lachte de beschuldigingen weg en schoof de zwarte piet opnieuw naar de CIA door. En de Irakezen? Hen laat de hele polemiek rond de massavernietigingswapens koud. Zij mijmeren over het regime van Saddam Hoessein. Toen van water- en elektriciteitstekorten en van een veiligheidsprobleem geen sprake was.