De stilte rond het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen

Tijdens de vorige legislatuur van de Vlaamse regering werd met groot vertoon van de regeringspartijen CVP en SP het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) over de doopvont gehouden. In sneltempo werd in nauwelijks een aantal jaren (1997-1999) een hele reeks ruimtelijke ordeningsinstrumenten door het Vlaams Parlement gejaagd met op kop het RSV (1997) en als staart het Decreet op de Stedenbouw en de Ruimtelijke Ordening (1999).Toen de VLD in 1999 de ruimtelijke ordening erfde was er een groene bijbel van 500 paginas (het RSV) en werd het planningsinstrumentarium via het decreet op de Ruimtelijke Ordening grondig veranderd. De planningssprong naar de 21ste eeuw was ambitieus. De planningspraktijk van de afgelopen 35 jaar evolueerde van twee niveaus (gewestplan en BPA) naar zes niveaus (3 structuurplanniveaus Vlaanderen, Provincie, Gemeente naast 3 RUP-niveaus).Een aantal jaren geleden wees ik reeds herhaaldelijk op de ambitieuze planningssprong waarvoor Vlaanderen op dat moment niet rijp was (geen planningstraditie; tekort aan universitair geschoolden voor de bevolking van het planningslegioen; onwerkbaarheid in de praktijk van de subsidiariteit wegens de centralistische inslag van de Vlaamse Ruimtelijke Planningspraktijk, enz). Hoewel recentelijk in De Financieel-Economische Tijd gewag werd gemaakt dat de toepassing van het RSV en het decreet op kruissnelheid komt, zou ik dit toch willen nuanceren. Wat baat het ruimtelijke plannen te maken als niks wordt uitgevoerd.Indien je het RSV-boek uit 1997 neemt en kijkt naar de realisering op het terrein dan is dit mager. Opvallend is dat de invullingen van het RSV zeer moeilijk op gang komen. Anders gesteld, er is bijna geen doorwerking van het RSV naar de burger en naar de markt. De ambtenaren van Brussel zitten bovenop hun boek en beschouwen elk initiatief dat van onderuit genomen wordt als een potentiële bedreiging van de RSV-principes: open en stedelijk. Met een massa argumenten worden vele goede initiatieven gewoon de grond ingeboord omdat ze niet volledig beantwoorden aan de groene planningsbijbel. Hoeveel gemeentebesturen zijn niet terug naar huis gestuurd met een hele reeks opmerkingen waardoor het proces van uitvoering met jaren wordt vertraagd.Ondertussen is het genoegzaam bekend dat veel bindende besprekingen uit het RSV-document van 1997 niet mogelijk zijn, laat staan wenselijk. Een bijsturing is trouwens dringend nodig. Als men daarbij weet dat het RSV in 2002 kan worden herzien, dan is het één voor twaalf om hiermee te starten. Op het Brusselse front is het stil rond de bijsturing. Sinds de start van de nieuwe Vlaamse regering had men een evaluatie van het RSV kunnen laten uitvoeren door een onafhankelijk team van deskundigen. Dit was nodig om de feitelijke doorwerking te kennen van het RSV naar de markt. Een plan zonder marktwerking is geen goed plan. Het ziet er naar uit dat we met het RSV (dat bol staat van goede wetenschappelijke principes) in deze impasse zijn geraakt.Verder is het uitkijken naar de kracht dat het Strategisch Plan Ruimtelijke Economie (SPRE) heeft om correcties en nieuwe richtingen te geven aan het RSV. De huidige minister, Dirk van Mechelen, heeft beide instrumenten in handen. Dit is niet onbelangrijk voor de echte trendbreuk waar we op wachten; een trendbreuk waar Vlaamse welvaart en welzijn centraal moeten staan.De netwerkmaatschappij en de netwerkeconomie van vandaag vragen een andere organisatie van de ruimte dan die die we in de afgelopen dertig jaar hebben bedreven. Vlaanderen is daarenboven een industriële regio. En Vlaanderen maakt producten voor Europa en heel de wereld.Ons welzijn is trouwens te danken aan onze industriële dynamiek en export. Willen we in Vlaanderen deze kwaliteiten verder ontwikkelen? Zo ja, dan dient hiervoor kwaliteit van ruimte te worden geschapen en dit is veel meer dan bedrijventerreinen; het betekent ook performante mobiliteit en toegankelijkheid (voorland en achterland). Vlaanderen moet bovendien worden gezien in een internationale context.De Vlaamse economie is vanuit zijn geo-economische situering een onderdeel van de Noordzeedelta. We moeten Vlaanderen, vanuit zijn sterke grenzen bekijke.In het RSV zijn de grensdoorbrekende ruimtelijke structuren geen voorwerp geweest van verdieping. Het is dringend nodig dit te doen, mede gelet op nieuwe buitenlandse initiatieven richting Vlaanderen (de Westerscheldetunnel, de Duitse invulling van de IJzeren Rijn, de Rijn Schelde Delta-visie, de contouren van de 5de Nota op de Ruimtelijke ordening/Nederland, de metropolisatiestrategie vanuit Lille, de transregio Maastricht-Maasland.)Ook de digit-ICT-netwerken zullen deze grensdoorbrekende ruimtelijke en economische gelaagdheid doorbreken. Het Vlaams Economisch Veld is heel wat meer dan de polarisatie op de zogenaamde Vlaamse Ruit. Immers door onze historisch ruimtelijk-economische context zet het stedelijk-industrieel veld van Vlaanderen zich door in het zogenaamde platteland dat economisch ook voor Vlaanderen belangrijk is. En dit is niet alleen natuur en/of landbouw of agro-industrie maar ook recreatie, toerisme, verhandelbare diensten.Hier (op het platteland) zitten ook heel wat maatschappelijke en economische kwaliteiten die via de nieuwe economie verder gestalte kunnen krijgen.Een ruimtelijke polarisering naar open en stedelijk en naar knooppunten en steden los van het netwerkgebeuren (regionaal en transnationaal) is een voorbijgestreefde denkoefening.Het wordt tijd dat de nieuwe planologie ook op het veld zichtbaar wordt en dit geldt niet alleen voor de werkers op het veld, maar ook voor de denkers en wetenschappers. prof. dr. G. ALLAERTVakgroep Civiele Techniek, Afdeling Mobiliteit en Ruimtelijke Planning, Universiteit Gent