Advertentie
Advertentie

De Verklaring van Laken: de fiets moet blijven rijden

Tijdens de Europese Raad van Amsterdam in 1997 kregen de staatshoofden en regeringsleiders van gastheer Wim Kok een fiets aangeboden. Misschien was het zo niet bedoeld, maar het beeld van een rijdende fiets typeert mooi de dynamiek van de Europese integratie: het gaat om een dynamisch proces dat in beweging moet blijven, hoe traag de vooruitgang soms ook is. Anders valt de fiets om en is het afgelopen. Het zou een goede zaak zijn als de chefs tijdens hun besprekingen in Laken de metafoor van de rijdende fiets in hun achterhoofd houden. Mogelijk zal dat ook het geval zijn. Guy Verhofstadt en Romano Prodi zijn niet alleen wielerfanaten, ze delen ook dezelfde visie op de Europese integratie: langzaam maar zeker voorwaarts. Hun betrachting is om al hun collegas diezelfde richting uit te laten rijden. Ook al wordt in Laken formeel enkel beslist over de methode, de agenda en de timing van de institutionele hervormingen, het debat over de inhoud zal niet ver weg zijn. Premier Verhofstadt weet dat de fundamentele discussie tussen de ambitieuze Europese federalisten en de meer terughoudende Europese intergouvernementalisten de slaagkansen van Laken kunnen ondermijnen. Daarom ging hij op zoek naar een agendapunt waar iedereen zich achter kan scharen, namenlijk de vraag welk bestuursniveau (Europees, nationaal, regionaal) zich met welke beleidsvraagstukken moet bezig houden, de zogenaamde Kompetenzabgrenzung. Daar wil iedereen over praten: sommigen (Duistland) zien er een mogelijkheid in om hun deelstaten tevreden te stellen, anderen (België) willen het aangrijpen om het Europese niveau meer slagkracht te geven en nog anderen (Groot-Brittannië) zien het als een kans om de positie van de lidstaten te versterken. Het zou wel eens een bitsig debat kunnen worden en het is helemaal niet zeker of het resultaat de fiets rijdende houdt.Los van het feit dat de uitkomst van het debat onzeker is, rijst de vraag of het wel een goed idee is om voor eens en voor altijd de bevoegdheden te verdelen over de verschillende bestuursniveaus. Maatschappelijke en technologische ontwikkelingen vallen niet stil na een overeenkomst over een bevoegdheidsafbakening. Tien jaar geleden stond voedselveiligheid bijvoorbeeld niet op de politieke agenda. Een half dozijn voedselcrises later is iedereen het erover eens dat deze problematiek op Europese schaal moet worden aangepakt. Waar zou vandaag het nieuwe Europese Voedselagentschap staan indien in Maastricht was beslist dat voedselveiligheid te marginaal was om zich op Europees niveau mee bezig te houden? Ook de opsplitsing van de Verdragen in een basisverdrag dat enkel met unanimiteit kan worden gewijzigd en een veel gemakkelijker te veranderen secundair verdrag brengt geen soelaas. Een betere (en wellicht politiek ook meer haalbare) strategie is het verfijnen van het bestaande instrumentarium dat nu al gebruikt wordt, zij het onvoldoende doordacht en consequent. Dit houdt in dat men zich bij elke potentiële beleidsbeslissing afvraagt of de Unie wel bevoegd is (bevoegdheidstoedeling), of de Unie wel het juiste niveau is (subsidiariteit) en of de geplande maatregelen wel in verhouding staan tot het te bereiken doel (evenredigheid). Wanneer daarbovenop ook de parlementaire controle op de verschillende beleidsniveaus meer sluitend kan worden gemaakt, dan zal de dagelijkse politieke praxis overeenkomen met wat de Europese Unie echt zou moeten zijn: een dynamisch meerlagig politiek systeem waarin taken en verantwoordelijkheden over meerdere bestuursniveaus verdeeld zijn. Het is immers een fout beeld om de Europese Unie af te schilderen als iets dat ergens boven de lidstaten hangt. Het gaat niet om de overdracht van bevoegdheden, maar om de vergemeenschappelijking van de uitoefening ervan. Minstens even belangrijk is dat een bevoegdheidsafbakening haaks staat op de manier waarop het Europese integratieproces de afgelopen 50 jaar is verlopen. Monnet, Schuman, Spaak en zovele anderen hebben een proces in gang gezet waarbij de lidstaten steeds meer met elkaar verweven raakten: eerst kolen en staal, daarna atoomenergie, landbouw, de interne markt, de economische en monetaire unie; van economische samenwerking naar politieke samenwerking met betrekking tot buitenlands beleid en interne veiligheid; in het begin vooral beslissingen op basis van unanimiteit, later meer en meer door middel van meerderheden. Soms werden er spectaculaire stappen voorwaarts gedaan (de interne markt, de euro), soms vorderde het maar met mondjesmaat (ten tijde van De Gaulle, Thatcher), maar het bleef steeds vooruit gaan. Het is een goede zaak dat Fischer met zijn Humboldt-toespraak het debat over de finalité politique op gang heeft getrokken. Hierdoor werden de Europese leiders verplicht om na te denken over Europa en om met elkaar in debat te gaan. Alleen mag dit niet uitmonden in het definiëren van het politieke einddoel van de Europese integratie. Zon vastlegging is bovendien een momentopname van de politieke machtsverhoudingen. Wat als in 2004 over de eindbestemming beslist moet worden door onder meer Aznar, Berlusconi, Stoiber, Rasmussen en Chirac? Om al deze redenen kunnen de agenda die in Laken wordt opgemaakt en het einddoel zelf van de Unie maar beter open gelaten worden. De Europese fiets moet blijven rijden, hoe traag ook. Want als hij dreigt stil te vallen, valt hij om. Prof. dr. Peter BURSENS, docent Europese integratie aan de Universiteit Antwerpen