De Vuist op de Rotonde

In Sainte-Marie des Abeilles, gelegen in de schaduw van de heilige berg Ventoux, moest in het midden van de hoofdstraat een rotonde komen, un rond-point. Laten wij daar iets moois van maken, zei de burgemeester en hij keek in de richting van de oude fontein die ginder onder de platanen wat vermoeid te spuiten stond. Was het geen goede gelegenheid om die fontein een tweede jeugd te schenken op een ereplaats te midden van een nieuwe rotonde? Chers amis, water is leven, er is geen frisser zinnebeeld dan een sprankelende bron in het centrum van de leefgemeenschap! Zo gezegd, zo gedaan. Een ondernemer werd aangesproken en na het nodige verloop van tijd verschenen werklieden die le rond-point aanlegden volgens alle betonnen regels van de kunst. Helaas, er kwam een kink in de waterbuis. Toen de rotonde goed en wel gegoten was, bleek dat men de oude fontein fout opgemeten had. De berekeningen klopten niet, ergens was er iets te groot en iets te klein. Geen mogelijkheid om de oude fontein te verplaatsen! Wat nu? Op het ogenblik dat de oppositie luidkeels begon te lachen, haalde de burgemeester een nieuw idee uit zijn brein. Het weerspannige waterwerk mocht dan blijven waar het al zo lang was, het zou niet beletten dat de nieuwe rotonde in de hoofdstraat een bijzonder cachet kreeg. Nee, de reactionaire krachten zouden niet zegevieren. (O ja, ik vergat er bij te zeggen: monsieur le maire is links en de oppositie bestaat dus uit conservatieve rechtse elementen). Het nieuwe idee werd belichaamd door een kunstenaar uit de streek, een progressieve beeldhouwer. Hij koos een grote steen en kapte zolang tot daar een gebalde vuist uit te voorschijn kwam. Feestelijk werd dit symbool van Volkskracht en Vastberadenheid onthuld, met de Marseillaise, fanfaremuziek en avondlijke verlichting. Een goedgezinde slager die vlakbij woonde, kreeg de sleutel van de verlichting in bewaring en moest er voor zorgen dat voortaan elke zon- en feestdag de schijnwerpers op de vuist en haar rotonde werden gericht. En wat zagen wij in dat glorierijke licht? Met permissie gezegd, de vuist leek veel meer op een groot menselijk achterwerk dan op een revolutionaire vuist. Mon Dieu, een achterwerk! En zo groot! De oppositie verslikte zich bijna. Reactionairen spraken er schande van. Stel je voor, zeiden ze, kijk nu toch eens, maakt die vuist geen obsceen gebaar? Is dat geen symbole phallique? En dat staat zomaar sur la voie publique, vlakbij de school, waar elke dag onze kinderen voorbij moeten!De burgemeester schudde zijn hoofd om zoveel onbegrip, behield de steun van zijn meerderheid en bleef zelfs kalm toen, na enkele weken, de vuist een beetje schuin ging staan omdat een late feestneus er in de avondlijke schemering tegenaan gereden was. * * * Ik zei dat de burgemeester links is. Dat moet ik even toelichten. Monsieur le maire is afkomstig uit een rechtse burgerlijke familie, maar hij heeft gestudeerd in de jaren zestig en was een soixanthuitard, een achtenzestiger. De gevolgen zijn duidelijk. Hij draagt lang haar dat hij met een elastiekje in een paardenstaart samenhoudt. Bovendien is hij uit de echt gescheiden en woont samen avec une nana. De vuist is dus niet uit de lucht gevallen, zeggen de critici in het Café du Commerce vanwaar men een uitstekend gezicht op de rotonde heeft. Het Café du Commerce is de informele zetel van Rechts - een woord dat ook even toegelicht moet worden. Begrippen als Links en Rechts hebben in Sainte-Marie des Abeilles, zoals zon beetje overal in de Provençaalse dorpen, een al te scherpe klank. Het gaat in de dorpspolitiek om iets diepers en iets ouders dan de ideologieën. Politiek is een fontein die haar water trekt uit onpeilbare bronnen als jarenoude geschillen, familievetes, overgeërfde antipathieën. Conflicten worden gekoesterd als voorouderlijke juwelen die het ene geslacht doorgeeft aan het andere. De betekenis ervan kan vervagen, de magie blijft. Bovendien is er de invloed van de zomerzon, die de mensen originele ideeën geeft, of de Mistralwind, die zelfs genieën zenuwachtig kan maken. Zo is het land fundamenteel verdeeld geraakt. Overal heb je twee clans en dat merk je onmiddellijk in elk dorp met enige omvang. Er zijn twee bakkers, twee slagers, twee bistros, twee kruidenierswinkels en, als het dorp wat groter is, twee garages, twee kapsters, noem maar op. Elk heeft zijn eigen trouwe cliëntèle. Onze bakker neemt zijn wekelijkse rust op donderdag en zijn klanten zullen die dag liever zeven kilometer ver naar een ander dorp om brood rijden, dan bij de bakker van twee straten verderop aan te lopen. Waagt iemand zich toch in de concurrerende winkel, dan riskeert hij, vooral wanneer er wat publiek aanwezig is, schampere opmerkingen zo niet schimpscheuten: Krijg jij ondertussen ook maagzuur van het brood dat je normaal eet? Je vous ai averti! In die dualiteit van volk en samenleving woekert de gemeentepolitiek. Sinds mensenheugnis bestaan er dus over het algemeen twee lijsten die helemaal geen behoefte hebben aan een partijparaplu. De ene kan iets linkser of iets rechtser zijn dan de andere, maar dat wordt niet al te sterk geafficheerd. Je hebt gewoon de liste Martin en de liste Sylvestre. Of de liste Marcellin en de liste César. Oudere Vlamingen, die zich hier komen vestigen, kijken daar niet van op. Zij herkennen dat. Zij hebben zo iets meegemaakt in het dorp van hun jeugd. Lang geleden. Wat Vlamingen in hun land van herkomst niét hebben gekend, is dit bijzondere kenmerk van het Franse gemeentelijke verkiezingssysteem: elke kandidaat die bij een eerste stemronde meer dan de helft van de stemmen krijgt, is meteen gekozen. In Sainte-Marie des Abeilles kregen alle kandidaten op de lijst van de burgemeester 51 procent en zij trokken samen naar de Mairie. De mensen op de tegenlijst haalden elk 49 procent en mochten thuis blijven. Bijna de helft van de dorpsbevolking kon dus niet meepraten. Mon ami Duca, de vaderlandlievende schoolmeester uit onze buurt, ziet er geen democratische graten in. Hij vertelt mij nog een sterker staaltje van verkiezingslogica. Elke Fransman heeft het recht, naar de stembus te gaan in om het even welke gemeente van de Republiek waar hij ergens een stukje eigendom heeft liggen. Dat wil zeggen: in elke gemeente waar hij enige grondbelasting betaalt. Zo zijn er in de Hautes Alpes uitgestorven, lege dorpen, waar zelfs geen kat woont maar waar wel een gemeenteraad wordt gekozen door de eigenaars van de gronden en ruïnes.* * * In een oud land met een rijke maar woelige geschiedenis heeft de ruziecultuur diepe wortels. Ook in de verhouding tussen de dorpen en stadjes, die hier nog lang niet aan elkaar vast gegroeid zijn, zoals in het drukke Noorden, maar die in hun eentje als arendsnesten aan de rotsen vastgehecht hangen of die liggen te blaken in het licht van de valleien. Vanuit de verte kijken de dorpen naar elkaar, als familieleden die nu en dan bij elkaar op bezoek gaan en telkens, na feestelijk op hun beider gezondheid te hebben gedronken, als het uur der waarheid slaat, iedereen openhartig en flink overdreven ses quatres vérités zeggen. (Waarom er in het Frans vier waarheden zijn, weten wij niet. Maar zij worden ons voortdurend geopenbaard.) Sainte-Marie des Abeilles krijgt af en toe zijn quatre vérités te horen van zijn buren. Die heten Zaman en Decoin en ze zijn vier of vijf keer zo groot. (*) Toch is het kleine Sainte-Marie des Abeilles de hoofdplaats van het kanton en staat het hiërarchisch dus boven de andere. Daar is een historische reden voor. Ten tijde van de Franse Revolutie schaarden de Abeilles zich aan de zijde van de republikeinen, terwijl de buren royalist bleven. Zij zijn dat nog altijd. Zo wordt Quatorze Juillet, de nationale feestdag van republikeins Frankrijk, in Sainte-Marie uitbundig gevierd, compleet met een door de burgemeester aangeboden apéro ofte aperitief. In Zaman en Decoin, daarentegen, feest men omdat het moet en met een bitter gezicht. Er zijn daar zelfs mensen die, na de uitvoering van de Marseillaise, niet in de handen klappen, zoals de traditie het wil. Er wonen daar mensen die om royalistische redenen niet naar de stembus van de republiek willen.Welke zijn nu de voordelen van een republikeinse kantonhoofdplaats waar Sainte-Marie des Abeilles zo om benijd wordt? Om te beginnen is zowel de Apotheker als de chef van de Gendarmerie daar gevestigd. Wij laten de gewapende macht waar zij is. Maar wat is dat met de Apotheker?In Frankrijk worden de Pharmacies geregeerd met strikte vestigingsvergunningen. Die hebben te maken met oppervlakte, aantal inwoners en dies meer, maar kantonhoofdplaatsen genieten prioriteit. Bille, op 7 kilometer van Sainte-Marie en drie keer zo groot, heeft geen recht op een vergunning. Voor het minste pilletje moeten zijn inwoners naar de kleine Commune. En de Provençalen slikken veel pilletjes en strijken veel zalfjes. De mensen buiten Sainte-Marie moeten daar meer moeite voor doen dan die van daar buiten. Dat is discriminatie, dat levert frustraties op, dat doet pijn waar geen zalf voor bestaat. Niet minder belangrijk is het dat Le Percepteur van hieruit de portemonnee van het kanton in de gaten houdt. De Percepteur is de belastingontvanger, een man die in de Provence groot gezag geniet. Hij zetelt graag in een groot kantoor, omringd door een stel jeugdige freules, die hem bijstaan in het ontvangen, raad geven en pluimen van de burgers. Erkend moet worden, dat hij dat zeer menselijk en gemoedelijk kan doen, met veel omhaal van woorden en complimenten. Daarbij speelt het een rol, dat hij ook zowat bankier is. Hij kan je staatsobligaties aanprijzen en je mag hem dus je beleggingen toevertrouwen, je geld uitzetten. Hij port je dan ook graag aan tot actie, aangezien dat zijn winkeltje doet draaien. t Is wel zon beetje bij de duivel te biechten gaan. Wie, na de aderlating van de fiscus, durft laten blijken dat hij nog over enige reserve beschikt, speelt uiteraard met vuur. Ook al snijdt de Percepteur in eigen leer als hij die blijde boodschap zou overmaken aan zijn gevreesde collega, Le Controleur. Ach, het grote zinnebeeld van de centrale staat, de brandschatter, woont in de kleine lieflijke kantonhoofdplaats. * * * Toen ik onlangs, na geruime tijd, nog eens in Sainte-Marie des Abeilles op bezoek ging, wachtte mij daar een nieuwe artistieke verrassing. Op een pleintje rond de kerk, die op een bult in het midden van het dorp staat, ontdekte ik vreemdsoortige dieren, met grote Franse kleurvlekken op hun bast, rood en wit en blauw. Bij nader toezien bleken het de gemeentelijke vuilnisbakken te zijn die door een beeldend kunstenaar waren getransformeerd en gesublimeerd. Het mooiste vond ik de bak die, bij middel van het stuur van een motorfiets, een brandstoftank en nog wat kleinere stukken metaalafval, was omgetoverd tot een bonte koe. Op haar buik stond geschreven: Vache Citoyenne. Tegen de kerk stond een andere koe te blinken met een soort van mijter op de witte kop. Het was La Vache du Chanoine. Een derde bak was herboren als een kleurrijke geit, legendarische heldin van deze streek, voedster van de gastronomie. Ik spreek nu wel over vuilnisbakken, maar officieel heten zij conteneurs en dat is de verfransing van containers, een van die ingevoerde Engelse woorden die in Franse ambtelijke documenten niet mogen worden gebruikt. Al die conteneurs leken mij een plaats op een tentoonstelling van hedendaagse Dada meer dan waard. Monsieur Duca lachte. Hij vond ze poëtisch, zij het een beetje heiligschennend. Ja, de oud-strijders van mei 68 kunnen gerust zijn: in de Provence blijft de verbeelding aan de macht. (*) Omdat ik een rustzoekende gast in dit land ben, heb ik de plaatsnamen verzonnen. Maar zowel Sainte-Marie des Abeilles als de andere plaatsen bestaan. Zoals de hoofdredacteuren vroeger zeiden: Feiten zijn heilig, commentaar is vrij.