Advertentie
Advertentie

De wettelijke achtergrond

Bij de staatshervorming van 1989 werden de gewesten bevoegd de aanslagvoeten en de vrijstellingen inzake successierechten en het recht van overgang te wijzigen. De vaststelling van de heffingsgrondslag bleef de bevoegdheid van de federale wetgever. Het gewest waar de nalatenschap openvalt, zal bevoegd zijn inzake successierechten. Bij het recht van overgang is dit het gewest waar de onroerende goederen zijn gelegen. Het recht bij overgang van overlijden is van toepassing op de waarde van de in België gelegen onroerende goederen, die deel uitmaken van een nalatenschap van een niet-rijksinwoner.Met het decreet van 20 december 1996 werd naast enkele wijzigingen op het vlak van de tarieven inzake successierechten, al een eerste voorzet gegeven door verlaging van het successierecht bij vererving van familiale ondernemingen en vennootschappen tot 3 procent. Aan het recht van overgang werd niet geraakt. Hiertoe werd een nieuw artikel 60bis in het Wetboek der successierechten (hierna W.Succ.) ingevoegd. In de Memorie van toelichting werd de doelstelling van de Vlaamse decreetgever als volgt omschreven: De continuïteit van Vlaamse ondernemingen bevorderen en zo een duurzame tewerkstelling realiseren is een belangrijke doelstelling van de Vlaamse regering. Een tweede bedoeling bestaat erin aandelen op vrijwillige basis opnieuw in de officiële sfeer te brengen. Een derde doelstelling is het overbodig maken van allerlei constructies, in binnen- en vooral in buitenland, louter met het oog op de vermijding van het successierecht.Nadat het Arbitragehof bij arrest van 9 december 1998 (nr. 128/98, B.S., 16 december 1998) besliste dat het Vlaamse Gewest inderdaad in staat is de successierechten op dergelijke wijze te verlagen, stond niets nog in de weg om tot verdere verlaging van het tarief over te gaan. Met het decreet van 18 mei 1999 (B.S., 30 september 1999) werden de successierechten bij de vererving van familiale ondernemingen of -vennootschappen in het Vlaams Gewest onder dezelfde voorwaarden verlaagd van 3 procent naar 0 procent. Door invoeging in de begrotingswet, was deze maatregel slechts geldig op de overlijdens vanaf 10 oktober 1999 (datum van inwerkingtreding) tot en met 31 december 1999. Dringend wetgevend initiatief bleef bijgevolg noodzakelijk. In uitvoering van een recente mededeling werd met het voormelde decreet van 22 december 1999 door de nieuwe Vlaamse regering een permanent karakter aan het nultarief gegeven door invoering van een echte vrijstelling. Het artikel 60bis W. Succ., bestaande uit twaalf paragrafen, wordt hiertoe in gecodificeerde vorm opgenomen onder artikel 38 van dit nieuwe decreet.