Advertentie
Advertentie

De Zuidoost-Aziatische crisis en de Belgische banksector in de regio

Midden 1997 brak in Azië de hel los. Nadat de baht reeds maanden onder druk had gestaan, moest Thailand deze op 2 juli loslaten. Internationale investeerders schoten in paniek en bouwden halsoverkop hun posities in Zuidoost-Azië af.In het Westen sloeg de paniek over op de aandelenmarkten. De beurzen gingen op en neer als een jojo en de financiële waarden kregen het hard te verduren. De schrik dat de westerse banken de Aziatische crisis hard zouden voelen, zat er dan ook goed in. De banken zagen de regio als een lucratieve en aantrekkelijke markt en staarden zich gewillig blind op de mooie groeicijfers. Aan de vooravond van de crisis hadden ze dan ook een aanzienlijk deel van hun kredietportefeuille in Azië.De meeste Aziatische landen hadden hun valuta aan de dollar gekoppeld. Vanaf 1995 begon de dollar echter sterk in waarde te stijgen, waardoor de concurrentiepositie van de tijgers achteruitging. Bovendien kregen deze economieën steeds meer te kampen met een sterke concurrentie vanuit China, slabakte de Japanse economie en daalde de vraag naar elektronica. Daarnaast apprecieerden de munten waardoor de import goedkoper werd terwijl de eigen producten duurder werden. Zware tekorten op de lopende rekening waren het gevolg.Toen de tijgers begin jaren negentig, onder druk van de internationale gemeenschap, hun markten openden kwam er een enorme kapitaalstroom op gang. Internationale investeerders waren immers druk op zoek naar rendabeler oorden en leken in hun optimisme voor de 'mirakeleconomieën' bijna blind voor elk risico. De lokale autoriteiten stimuleerden dit proces onder meer door het beperken van het wisselkoersrisico, een fiscale begunstiging van buitenlands kapitaal en de creatie van offshorecentra.Veel van die middelen werden via de bancaire sector doorgesluisd en kwamen terecht in dubieuze investeringen. Bovendien was dit buitenlands kapitaal hoofdzakelijk op korte termijn geplaatst, wat de tijgers erg kwetsbaar maakte voor een plotse ommekeer van het marktsentiment, met een verwoestende kapitaalvlucht tot gevolg.Deze enorme kapitaalstromen financierden de tekorten op de lopende rekening en ondersteunden de valuta. Deze raakten echter steeds meer overgewaardeerd waardoor de tekorten op de lopende rekening toenamen. Het is duidelijk dat deze situatie op termijn onhoudbaar was. Het vertrouwen daalde en investeerders begonnen Thailand te ontvluchten. De buitenlandse leningen moesten nu in deviezen terugbetaald worden waardoor men massaal baht diende te verkopen. Om de koppeling te kunnen handhaven moest de monetaire overheid haar reserves gebruiken. De deviezenvoorraad is echter beperkt en uiteindelijk werd de baht onder de speculatieve druk losgelaten.In plaats van dat Thailand nu kon profiteren van een goedkopere export kwam het in een diepe recessie terecht en sleurde het sterk verschillende buurlanden mee. De buitenlandse investeerders hadden immers een niet gedifferentieerde perceptie over Zuidoost-Azië, waardoor alle landen over dezelfde kam werden geschoren. Slecht nieuws in één land betekende onmiddellijk dat de hele regio ziek was en diende verlaten te worden.Vooral de situatie in de financiële sector was problematisch. Hier ging de deregulatie niet gepaard met de installatie van een degelijk begeleidend prudentieel toezicht.Zo was er sprake van aanzienlijke mismatches in de portefeuilles van de 'banken'. Er werd vaak op korte termijn geleend om dit dan op lange termijn te plaatsen, zodat er sprake was van aanzienlijke onevenwichten in de leeftijdsstructuur. Bovendien ging men deze leningen vaak aan in harde valuta om ze dan te plaatsen in lokale munt, zonder zich voor het wisselkoersrisico in te dekken. Daarenboven was de sector verstoord door overheidsinmengingen en vriendjespolitiek. Doordat hoge returns verwacht werden, moest men meer en meer risico's nemen. Het resultaat was dat men steeds grotere posities ging innemen en dat de kwaliteit ervan sterk daalde. Dit resulteerde in stijgende percentages niet productieve kredieten en meer speculatieve investeringen in bijvoorbeeld vastgoedprojecten. Toen de buitenlandse banken hun KT-kredieten niet verlengden en de plaatselijke valuta crashten, kwamen de financiële instellingen in zware liquiditeitsproblemen. Veel instellingen gingen over de kop.De Belgische grootbanken zijn in Azië goed vertegenwoordigd via een uitgebreid netwerk. Bij Fortis Bank valt vooral de sterke positie in Hongkong op. De bank beschikt er met de Belgian Bank over een uitgebreid kantorennetwerk en voert er dezelfde strategie als op de thuismarkt. BBL en KBC beschikken over een beter uitgebouwd Aziatisch netwerk, maar voeren, in tegenstelling tot Fortis Bank, geen retailactiviteiten. De regio is de belangrijkste buitenlandse pool voor onze bankiers. Het netwerk dient vooral ter ondersteuning van de handelsfinanciering en de activiteiten op de markten maar is irrelevant voor het belang van de uitstaande vorderingen. Zo hadden de Belgische banken een erg belangrijke positie op Zuid-Korea hoewel zij daar bijna niet ter plaatse aanwezig zijn. In vergelijking met de positie in de twee belangrijke financiële centra, Singapore en Hongkong, waren de vorderingen in 'de vijf' (Filipijnen, Indonesië, Korea, Maleisië en Thailand ) relatief beperkt.Voor de Belgische banken bemerken we perfect dezelfde evolutie als bij de internationale financiële wereld. Tot 1997 namen de vorderingen op Zuidoost-Azië explosief toe. Na het uitbreken van de crisis werden de posities in een zeer snel tempo afgebouwd, wat mogelijk was doordat deze hoofdzakelijk een KT-structuur hadden. Uiteindelijk moeten we vaststellen dat de banken zich door een uitmuntende crisisbeheersing onderscheidden. De operationele verliezen werden mooi binnenshuis gehouden en op geen enkel ogenblik was er sprake van paniek. Het had anders kunnen lopen. Wouter VANDERHAEGHENLicentiaat HandelswetenschappenHogeschool GentHandelswetenschappen en Bestuurskunde