Dieren benutten, een natuurlijk recht

In Podium van 26 januari 2001 doet Wim van Rooy een oproep om het gebruik van dieren voor wetenschap, voeding en andere doeleinden te heroverwegen. Hij stelt dat de strijd van de dierenrechtenbeweging (DRB) in het verlengde ligt van de vroegere strijd tegen slavernij, voor gelijke rechten voor vrouwen, voor kinderrechten.Zijn historische analyse is oppervlakkig. Zo werd in Egypte niet het dier boven de mens gesteld, maar de gewone mens gelijk met het dier: slaaf voor het leven en goed om mee ingemetseld te worden met de farao. Er is een fundamenteel verschil tussen het toekennen van rechten aan mensen en het toekennen van fictieve rechten aan dieren.Omdat dieren, net als mensen pijn kunnen voelen, moeten we hen - aldus de DRB - als moreel gelijk behandelen. We moeten met hen leren meevoelen en, als een verlengde van onze naastenliefde, moeten we hen ook rechten toekennen. In feite zijn dierenrechten een pseudo-consequente toepassing van de natuurlijke evolutietheorie (darwinisme) op het ethische domein. De biologie leert ons dat de mens ook een dier is. Omdat we aan mensen rechten toekennen en we biologisch gezien een dier zijn, moeten we volgens die logica ook aan dieren rechten toekennen. Deze rechten houden in dat dieren gevrijwaard moeten worden tegen gebruik door mensen voor voeding, kleding en medische verzorging. Maar vreemd genoeg niet tegen het gebruik door andere dieren. In België wordt jaarlijks 180.000 ton diervoeding geproduceerd, met als hoofdbestanddeel vers vlees.De dierenrechtenideologie beweert dat ze het dier rechten geeft. Zo heeft een ijsbeer het recht een zeehond op te eten omdat hij niet in staat is zich af te vragen of het ethisch verantwoord is om te doden om aan voedsel te komen. Maar een eskimo heeft volgens hen dat recht niet. Hij beseft immers dat hij een einde maakt aan het leven van de zeehond en dat het dier pijn kan voelen. De zeehond opeten zou moreel verkeerd zijn? Neen, zich voeden met en leven van dieren is een volledig natuurlijk fenomeen. Hier wordt de mens het natuurlijk recht ontnomen - om net zoals andere dieren - zich te voeden en te leven met wat zijn natuurlijke omgeving voortbrengt. De dierenrechtendoctrine ontkent dus het natuurlijk recht van de mens op overleven in zijn natuurlijk milieu.Alle levende wezens, planten en dieren, brengen meer nakomelingen voort dan nodig om zichzelf te vervangen. Deze overschotten vormen de voedselketen waar dan andere dieren en ook de mens van leven. De landbouw heeft in onze gematigde streken de jacht vervangen, maar het basisprincipe is hetzelfde: de mens leeft van de overschotten van de voedselketen. Dit is een natuurlijk fenomeen en moreel niet verkeerd, zoals dierenrechtenactivisten ons willen doen geloven. Wat wel voor morele discussie vatbaar is, is de wijze waarop we deze dieren houden en hoe we met hen omgaan.Ons rechtconcept is in feite contractueel: om rechten te bezitten, moeten we verantwoordelijkheid opnemen en de rechten van anderen eerbiedigen. Maar onze maatschappij geeft wel aan kinderen en mentaal gehandicapten rechten en deze mensen kunnen toch ook geen verantwoordelijkheid op zich nemen. Waarom krijgen dieren dan geen rechten? De zogezegde rechten die onze maatschappij vooropstelt voor het kind zijn zeker niet altijd de rechten die het kind zelf zou willen. Zo stelt onze maatschappij dat een kind het recht moet hebben om naar school te gaan. Dit zijn rechten, waarbij het kind niet geraadpleegd werd. In plaats van het recht naar school te gaan zouden kinderen wel eens het recht kunnen opeisen niet naar school te moeten gaan. Of het recht op niet-gescheiden ouders. Dat geeft duidelijk het verschil aan tussen recht en morele verantwoordelijkheid. Dat onderscheid maakt Wim van Rooy niet.Als men dit onderscheid niet maakt, ligt de weg open voor een zeer extreme wetgeving voor dierenbescherming, waarbij de plaats van de mens als soort ten opzichte van andere diersoorten in het gedrang komt. Omdat geen zinnig mens van de dieren verwacht dat ze hun instinctieve gedragingen gaan wijzigen, komt het opnemen van dieren in onze morele gemeenschap neer op het ontnemen van rechten aan de mens. Toen zwarten en vrouwen rechten kregen, werd eindelijk erkend dat ze denkende wezens zijn die contractueel recht kunnen naleven. Zo kregen zij ook de plichten toebedeeld die aan de mensenrechten verbonden zijn. Als je dieren opneemt in de morele gemeenschap van rechten, dan vernietig je gewoon het principe van recht.Wat de dierenrechtenactivist wil, is - als je doordenkt - in feite verhinderen dat dieren geboren worden omdat ze later als voedsel voor de mens (niet voor dieren) zouden eindigen. Ze zeggen tegen de dood te zijn, maar zijn in feite tegen het leven want ieder leven eindigt met de dood. Anders was er geen leven. De DRB, die beweert voor het recht op leven van dieren op te komen, vergeet het leven zelf door zich te concentreren op de dood als het onvermijdelijke einde van het leven. Wim van Rooy en zijn aanhangers denken dat het omwille van hun hoog beschavingspeil en hun moreel uitgangspunt is dat zij geen dieren meer opeten. In feite heeft het te maken met de mens die alle contact en gevoel met de natuurlijke realiteit verloren heeft en steeds moeilijker kan omgaan met de dood, die nu eenmaal aan het leven gekoppeld is. Ludo DE CLERCQ De auteur is voorzitter van BROK, een VZW die opkomt voor een brok gezond verstand in de maatschappelijke discussie over dierenwelzijn en dierenrechten.