Dogville

'Ik ben de Che Guevara van de cinema,' grapte Lars von Trier vorige week, toen hij in Cannes was om zijn 'Dogville' te promoten. Maar ergens heeft hij ook een punt. Het minste wat je van hem kan zeggen, is dat hij zijn best doet om nieuwe horizonten te verkennen binnen het medium. In het begin van zijn carriere lagen die horizonten vooral op vormelijk vlak, maar sinds 'Breaking the Waves' lijkt hij die vorm zoveel mogelijk te willen wegpuren. Daar waren zijn veelbesproken Dogma 95-regels een voorbeeld van, en daar geeft ook 'Dogville' uiting aan. Het concept van dit eerste deel in zijn geplande USA-trilogie grijpt terug naar verfilmd theater uit de jaren 70: zo goed als alles speelt zich af op een podium, de achterwand is een zwart gat en de decors zijn gereduceerd tot een paar significante voorwerpen (een kleine rotsmassa, een hoek van een muur, een bed, een bureau) en een helder uitgetekende plattegrond op de vloer. De rest moet de kijker er zelf bij verzinnen. Het idee is dat de nadruk op die manier nog meer op de acteurs en op de emoties van het verhaal liggen. Het klinkt artificieel en het duurt ook een tijdje voor je aan die spartaanse manier van filmen gewend raakt, maar eenmaal die stap gedaan, raak je onvermijdelijk in de ban van Von Triers drie uur durende film. Maar ook op verhalend vlak gaat de Deense cineast een stap verder. Aanvankelijk lijkt het alsof hij net als in 'Breaking the Waves', 'The Idiots' en 'Dancer in the Dark' een hemeltergend onzelfzuchtige vrouw tot hoofdpersonage heeft gekozen. In 'Dogville' heet ze Grace, ze komt ergens in de jaren 30 aan in het bergdorpje dat de titel van de film draagt en daar ontfermt ene Tom Edison Jr. zich over haar. Tom, een geengageerde filosoof, maakte zich net zorgen over de sociale toestand van de kleine gemeenschap (hoop en al 13 mensen). Iedereen doet er gewoon zijn eigen ding, zonder zich iets van de ander aan te trekken, vindt hij. De komst van Grace is de uitgelezen kans om dat egoisme te illustreren, want hij twijfelt er niet aan dat het dorp haar nooit zal aanvaarden, hoe lief en gedienstig en warmhartig ze ook is. De ondankbaarheid en bekrompenheid waarop door en door goeie mensen getrakteerd worden is een thema dat Von Trier al eerder bezocht heeft, maar in 'Dogville' geeft hij er een onverwachte (en naar eigen zeggen veel meer realistische) wending aan. In Cannes werd de film door een deel van de Amerikaanse pers zwaar op de korrel genomen, omdat hij resoluut anti-Amerikaans zou zijn. Maar ook al eindigt Von Trier 'Dogville' met een reeks foto's van de armoede in de Verenigde Staten, hij richt zijn pijlen niet per se op een natie. Hij is geinteresseerd in de mensheid in het algemeen, met zijn mooie en minder fraaie kanten. Diep van binnen blijft hij in onze inherente goedheid geloven, maar hij is nuchter genoeg om te weten dat we ons al te gemakkelijk van onze lelijkste zijde laten zien als we helemaal aan ons lot overgelaten worden en enkel economische wetten de plak zwaaien. 'Erst kommt das Fressen und dann die Moral', schreef Bertolt Brecht indertijd al, en von Trier treedt hem volmondig bij. Van Lars von Trier Met Nicole Kidman, Paul Bettany, Stellan Skarsgard, James Caan, Ben Gazarra, Philip Baker Hall, Lauren Bacall, Jeremy Davies, Patricia ClarksonKen Park 'Over de ouders', antwoordde Larry Clark vroeger steevast wanneer mensen hem na het succes van 'Kids' vroegen waarover zijn volgende film zou gaan. Het verhaal dat hij toen in gedachten had, was 'Ken Park': na ommetjes via iets commercieler cinema ('Another Day in Paradise') en een tweede uit het leven gegrepen verhaal over verloren jongeren ('Bully') heeft Clark de film eindelijk kunnen draaien. Voor het scenario deed hij opnieuw een beroep op Harmony Korine van 'Kids', al haalde hij het gros van de verhalen die hij in beeld brengt uit zijn eigen ervaringen en herinneringen, netjes opgetekend in dagboeken. In de jaren 80 had Clark een reeks videocollages gemaakt met de getuigenissen die hij op talkshows had gehoord, jongeren die vertelden over hun uitspattingen, en ook die zaten in het pak informatie dat hij bij Korine achterliet. Het resultaat is een film die perfect het midden houdt tussen 'Kids' en 'Bully'. Net als 'Kids' bouwt 'Ken Park' met een mengelmoes aan personages een onthutsend samenhangend portret van een generatie die het levende uithangbord zou kunnen vormen voor de waardenloze wereld waar Stefaan Declerck ons zo hevig voor waarschuwt. De film opent met een jongen die op zijn skateboard door de straten bolt, in de skate-rink op een heuveltje gaat zitten en vervolgens zichzelf filmt terwijl hij doodleuk een kogel door zijn hersens jaagt. De tieners die we daarna te zien krijgen, beffen de moeder van hun liefje, worden afgetroefd en misbruikt door hun vader zonder dat hun moeder een vinger uitsteekt, moeten afrekenen met religieus extremisme vanwege hun ouders en experimenteren gretig met seks, drugs en erotische zelfwurging. Korines grote talent is dat hij die gitzwarte toestanden met verrassend veel humor (de driepotige hond die 'Legs' heet) en tederheid (het triootje op het einde) schetst. Met 'Bully' (en eerlijk gezegd met heel veel van Clarks werk, zowel op foto als op film) heeft 'Ken Park' dan weer het vicieuze gemeen. De regisseur staat zo overduidelijk te geilen op de jonge lijven en de erotische situaties waarin hij ze kan wringen, dat je aan 'Ken Park' vooral een gevoel van degout overhoudt. Neem nu de scene met de zelfwurging. Je kan er ergens nog inkomen dat Korine het een passende en pakkende illustratie vindt van de manier waarop dat personage wanhopig op zoek is naar een beetje zin in zijn leven en compleet het noorden begint te verliezen. Door hem tegelijk naar vrouwentennis te laten luisteren (dat kirrende gekreun!) geeft hij er zelfs nog een geestige toets aan. Maar Clark kan het niet laten om de masturbatie van begin tot eind te laten zien en te eindigen met een close-up van sperma dat van de gezwollen eikel druipt. Leuk voor Clark dat hij op zijn 60ste nog steeds met een broek vol goesting rondloopt, maar hij haalt er Korines inspanningen compleet mee onderuit. Van Larry Clark & Edward Lachman Met James Ransone, Tiffany Limos, Stephen Jasso, James Bullard, Mike Apaletegui, Adam Chubbuck, Wade Williams, Amanda Plummer, Julio Oscar Mechoso, Maeve QuinlanPollock Mocht u, zoals ik, niet meteen thuis zijn in de wondere wereld van de moderne schilderkunst: Jackson Pollock wordt door kenners tot de grootste Amerikaanse schilders aller tijden gerekend. Vooral zijn driptechniek staat nog steeds als een van de grensverleggende evoluties van de 20ste-eeuwse kunst te boek. Behalve een gerenommeerd schilder was Pollock echter ook een opvallende persoonlijkheid. De man werd zijn hele leven verteerd door een regiment demonen dat hem nooit met rust liet. Het maakte van hem niet meteen een makkelijke mens om mee te leven, maar daar putte hij ook zijn creativiteit uit. Het antwoord op de vraag of het van hem ook een personage maakt waar je geboeid naar zit te kijken, is echter nee. Hoe passioneel Ed Harris (die de film ook zelf regisseerde) ook probeert om in Pollocks getormenteerde ziel te kruipen, veel meer dan een zoveelste staaltje van artistieke zelfkwelling wordt het bijna nooit. Harris' biografie had nochtans de kans om een licht te werpen op de brullende motor die Pollock dreef. Hier en daar geeft de film een hint (de vreemde relatie met zijn moeder en broers bijvoorbeeld), maar het is nooit genoeg om de man ook maar een beetje te verhelderen. Je begrijpt dan ook nooit waarom zijn echtgenote Lee Krasner (prima rol voor Marcia Gay Harden, die hier een Oscar voor kreeg) de brutaliteiten en humeurs en onophoudelijke buitenechtelijke affaires bleef verdragen. Krasner was tenslotte zelf ook schilder en had waarschijnlijk meer van haar leven kunnen maken als ze Pollock had laten stikken in zijn onhebbelijkheden. Tenzij hij iets te bieden had wat zij absoluut niet kon missen, maar ook dat is een vraag die de film nooit beantwoordt. De integere bedoelingen en de occasionele goeie scene ten spijt (zoals de schilder die gefilmd wordt en niet kan begrijpen dat hij zich naar de wil van de regisseur moet schikken) komt 'Pollock' dus nooit helemaal uit de startblokken. Van Ed Harris Met Ed Harris, Marcia Gay Harden, Robert Knott, Molly Regan, Sada Thompson, Eulala Grace Harden, Matthew Sussman, Bud Cort, Amy Madigan Fanfanla tulipe Ik vrees dat we er ons zullen moeten bij neerleggen: Luc Bessons gevoel voor humor is niet aan ons besteed. Het moet trouwens iets cultureels zijn, want bij de visie van 'Fanfan la tulipe' (geschreven door Besson) viel op hoe het Franstalige deel van de zaal smakelijk zat te lachen terwijl de rest het spektakel stil en onbegrijpend aanschouwde. Bessons idee was om de klassieke Franse schelm resoluut de 21ste eeuw binnen te trekken zonder aan zijn ziel te raken. Fanfan la tulipe, de eeuwig lachende en zorgeloze vrijgezel die in het leger van Louis XIV gaat om aan een huwelijk te ontsnappen, mag zich met andere woorden overgeven aan hip Oosters getinte gevechtscenes (hij lijkt Jackie Chan wel) en tegelijk dwaze grappen blijven spuien. 'Fanfan la tulipe' wil vederlicht amusement zijn, en daar hebben we in principe geen problemen mee. Integendeel, Vincent Perez leeft zich aanstekelijk uit in zijn hoofdrol, hij wordt goed ondersteund door Didier Bourdon als de fatterige Zonnekoning, Penelope Cruz' accentje is bijzonder schattig (al is dat nog iets anders dan sexy), de uitleg over de moderne oorlogsvoering waarmee de film opent is best geestig en sommige van de anachronismen die Besson door het verhaal strooit, werken prima. Maar regisseur Gerard Krawczyk (die eerder de laatste 'Taxi'-afleveringen en het afgrijselijke 'Wasabi' draaide) heeft veel te weinig kaas gegeten van visuele humor en komische timing om de boel overeind te houden. Ze hadden dit beter aan Alain Chabat toevertrouwd. Van Gerard Krawczyk Met Vincent Perez, Penelope Cruz, Didier Bourdon, Helene de Fougerolles, Michel Muller, Philippe Dormoy Samenstelling: Ruben NOLLETWie niet genoeg kan krijgen van sterke vrouwen, vindt dezer dagen zijn/haar gading in het Antwerpse Filmmuseum, waar de Femme Fatale centraal staat. In Pasolini's 'Medea' bijvoorbeeld (do 29/5), in Jean-Jacques Beineix' '37 2 le matin' of in 'La chienne' van Jean Renoir (ma 2/6). Meer inlichtingen: 03/22 33 85 71 of www.antwerpen.be/cultuur/cvb. . In Cannes zijn zondag de Gouden Palmen uitgereikt, in de Brusselse bioscoop Styx projecteren ze een paar winnaars uit het verleden. Deze week is dat David Lynch' excentrieke sprookje 'Wild at Heart'. Meer inlichtingen: 02/217 94 41. . Het Brusselse Filmmuseum programmeert dan weer een reeks stille films, zoals 'Nieuw Babilonie' van Grigorij Kozincev en Leonid Trauberg (wo 28/5), 'Das Tagebuch einer Verlorenen' van Georg Wilhelm Pabst (do 29/5 en za 31/5) en Friedrich Wilhelm Murnaus 'City Girl' (30/5). Meer inlichtingen: 02/507 83 70 of www.filmarchief.be.