Duizend nuances in één noot

Een enkele geplukte noot op de contrabas ontvouwt zich in duizend onvermoede nuances en kleurschakeringen. Diep. Traag. Zo lang mogelijk, nee, onmogelijk lang gerekt in de tijd. Vita Povera-Arte No, 1982, uit het soloalbum Open Secrets, FMP 1190. Dat geluid zullen we nooit meer horen. Want de Duitse bassist Peter Kowald overleed plotseling, na een concert vrijdagnacht in New York. Hij was slechts 58.Kowald besloot muzikant te worden toen hij als teenager een plaat van Louis Armstrong hoorde. Het warme contrabasgeluid en de feeling van de Amerikaanse jazz zouden hem altijd bijblijven, ook in de radicale improvisatiemuziek die hij tot zijn terrein maakte. Kowald was er bij vanaf de pioniersjaren van die nieuwe muziek. Hij nam in 1968 deel aan de opname van Machine Gun van saxofonist Peter Brötzmann, vandaag een cultplaat en beschouwd als het manifest van de Europese improvisatiebeweging. Hij speelde bij het Globe Unity Orchestra dat rond pianist Alex Schlippenbach de radicaalste muzikale zoekers groepeerde. Met drummer Günter Sommer en de Amerikaanse trompettist Leo Smith nam hij de indrukwekkende platen Touch the earth en Break the shells op. Later legde hij zich toe op soloconcerten, duetten met andere bassisten (Barry Guy, Barre Phillips, Maarten Altena). Die duoformule, ook met stemmen of andere instrumenten, sprak hem sterk aan en leidde tot de dertig ontmoetingen van de triptiek Duo Europa-America-Japan (een keuze van alternatieve versies uit de drie elpees verscheen op een enkele gelijknamige cd).Europa, Amerika, Japan. De muzikant Kowald was een nomade, letterlijk en figuurlijk. Waar anderen overal ter wereld hun muziek gingen brengen, ging hij zonder bagage op zoek naar ontmoetingen die iets nieuws dienden te veroorzaken dat niemand en iedereen toebehoorde. Die tochten putten hem uit. Voor zijn vijfenvijftigste jaar bedacht hij een manier om te reizen zonder zijn huis te verlaten: een jaar lang hij organiseerde concerten met muzikanten uit alle windstreken in zijn huis in Wüppertal.Ook België lag op het pad van de nomade Kowald. In de jaren zestig woonde hij lang in Antwerpen, toen een stedelijke magneet voor muzikale en andere avonturiers. Hij werd later een graag geziene gast op het Free Music Festival. In Brussel nam hij niet lang geleden de plaat Tango in Brussels op met het Double Duo: saxofonisten André Goudbeek en Jeffrey Morgan, Kowald en zijn protegé Peter Jacquemijn op contrabas. De plaat verschijnt eind oktober bij het Duitser Konnex-label.Van de Europese muzikanten van zijn generatie was Kowald een van de universeelste. Hij werkte vaak samen met Sainkho Namtchylak, de eerste keelzangeres die uit Siberië naar het Westen kwam. Anders dan vele van zijn medestanders bleef hij tegelijk voeling houden met de Amerikaanse jazz. Kowald had geen belangstelling voor genres, hij was gefascineerd door mensen die muziek maken. En elke muzikant was een uitnodiging voor een mogelijk gesprek. Muziek, concerten en platen waren voor hem een momentopname, geen gestroomlijnd cultuurproduct. Hij speelde makkelijk tweehonderd concerten per jaar, de plaatopnamen zijn niet te tellen.Een van de mooiste is de duoplaat Paintings, met collega bassist Barry Guy. De opname uit 1981 zit vol verwijzingen naar Marcel Duchamp en andere kunstenaars. Dat is geen toeval. Zoals vele van zijn generatiegenoten (Han Bennink, Brötzmann) was Kowald ook beeldend kunstenaar. Vaak sierde zijn krachtige werk de hoezen van zijn platen voor FMP, het legendarische Berlijnse platenlabel dat hij mee had helpen oprichten. Leek daarom zijn muziek zo beeldrijk? Elk geluid kreeg reliëf, klonk als gesculpteerd in de ruimte. Kowald ging zijn instrument erg fysiek te lijf, als een beeldhouwer de materie. Maar vergissen we ons niet. Aan de brutaliteit, de rauwheid, de hallucinante kreten en het gekwelde gezang die hij aan de contrabas ontlokte, lag een uiterst verfijnde en perfect gecontroleerde techniek ten grondslag. Kowald was een virtuoos en een uitvinder met de strijkstok. En wanneer hij met de diepe tonen van zijn bas meezong en gromde, leek hij een eenentwintigste eeuwse versie van Slam Stewart, het neuriënde baswonder uit de siwngjaren van de jazz.Bij de wereldreiziger uit Wuppertall had alles met alles te maken. Ook dat hij tuba speelde dat instrument uit de beginjaren, de Armstrong-jaren van de jazz - werkte op mysterieuze wijze door in zijn basspel. Bij Peter Kowald leek de contrabas door menselijke adem aangedreven. Rob LEURENTOPHet werk van Peter Kowald verscheen hoofdzakelijk bij FMP, www.free-music-production.de