Duurzaam ondernemen

Het berichtje viel wat tussen de plooien van het weekendnieuws: in zijn privé-leven blijkt de Amerikaanse president, George Bush, een heuse milieuvriend. Hij zou in Texas een nieuw optrekje hebben dat wonder boven wonder volledig conform de ecologische normen is gebouwd. Vreemd toch: diezelfde Bush joeg enkele weken geleden nog de milieuactivisten de gordijnen in toen hij aankondigde dat zijn land het verdrag om de uitstoot van CO2-gassen in de aardse atmosfeer in te perken, niet zal ratificeren.De wrange glimlach die ons om de mond komt bij het lezen van zoveel hypocrisie, toont onrechtstreeks ook aan waarom Europeanen nog steeds worstelen met begrippen als duurzaam ondernemen en corporate governance. Beide termen zijn afkomstig uit de Angelsaksische managementwereld en komen er in het kort op neer dat een bedrijf in zijn activiteiten ook aandacht moet hebben voor de andere belanghebbenden (stakeholders) dan de aandeelhouders (stockholders): werknemers, leveranciers, klanten, omwonenden, het milieu, enzovoort. Europeanen vinden dat een intrigerende boodschap die perfect strookt met hun waardepatroon. Maar tegelijk wekken ze ook een gezond wantrouwen op, omdat ze vaak schril afsteken tegen de ecologische en sociale werkelijkheid in de landen van oorsprong.Het is inderdaad paradoxaal dat een begrip als duurzaam ondernemen precies uit die delen van de wereld komt waar het kapitalisme zich in zijn meest liberale vorm voordoet: de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Algemeen gaat men ervan uit dat de solidariteit met de zwakkere medemens of de zorg voor onze planeet het daar vaak moeten afleggen tegen de financiële belangen van het bedrijfsleven.Vanwaar dan plots dat duurzaam ondernemen in die landen? De paradox lost op wanneer je de begrippen zelfregulering en verantwoordelijkheidszin erbij betrekt. Uiteindelijk zijn duurzaam ondernemen en corporate governance de ultieme consequenties van het vrije ondernemerschap. De bedrijfsleider wordt door de gemeenschap zo vrij gelaten in zijn doen en laten dat die gemeenschap hem ook verantwoordelijk kan stellen voor de impact van zijn activiteiten op de omgeving.De hele Amerikaanse samenleving is op die zelfregulering gestoeld. In de VS is solidariteit met de zwakkeren veel minder georganiseerd volgens het typisch Europese systeem van belastinginning en herverdeling door de staat. Sociaal en financieel achtergestelden zijn er aangewezen op de goodwill en het privé-initiatief van de lokale gemeenschap onder de vorm van liefdadigheid. Ons, Europeanen, komt het wat hypocriet over wanneer Bill Gates zich aandient als de gulle gever of wanneer George Bush een ecologisch huis neerzet. Maar tegelijk verklaart het waarom de VS de ideale voedingsbodem waren voor begrippen als duurzaam ondernemen en corporate governance én waarom dat voorlopig enkel maar kon overwaaien naar Groot-Brittannië: het wortelt in de idee dat niet de staat, maar de burger en de organisaties op het terrein, de consument en de producent verantwoordelijk zijn voor de maatschappij als geheel. Europeanen laten die verantwoordelijkheid maar al te graag over aan de staat.Hoe flatterend die Amerikaanse opvatting van de autonome mens ook mag zijn, af en toe wil zelfregulering wel eens uitmonden in pure window dressing of green washing: het opvijzelen van het bedrijfsimago door middel van vrijblijvende sociale en ecologische stunts. In dat besef mogen we het Europese model niet zomaar opgeven. Het ideaal ligt ergens tussenin: voldoende sociale bescherming vanwege de overheid om de zwakkeren - en daar hoort ook het milieu toe - te beschermen. Maar zeker ook geen overbescherming, zodat het nooit kan verworden tot een excuus om zelf geen verantwoordelijkheid meer aan de dag te leggen. Anders zullen corporate governance en duurzaam ondernemen in Europa nooit voet aan de grond krijgen. Tom Michielsen