Advertentie
Advertentie

E-government: een gelegenheid voor publiek-private samenwerking?

Woensdagavond 21u.30. Eindelijk rust. Nieuws afgelopen, kinderen in bed en tafel netjes afgeruimd. Tijd om even te surfen op internet. Eigenlijk moet ik dringend mijn reispas vernieuwen. Vlug even naar de website van onze gemeente. Na maximum een kwartier heb ik mijn aanvraag voor de nieuwe reispas en de betaling geregeld. De reispas wordt me de volgende dagen thuis afgeleverd. Ik zit nog altijd rustig in de woonkamer. Het is 21u.50In dit korte verhaaltje zou alles kunnen kloppen, behalve dan de verlenging van de reispas. Vandaag vraagt de verlenging van een reispas veelal twee verplaatsingen naar het gemeentehuis tijdens de kantooruren, en dan nog een boel wachttijden.Het voorbeeld kan uiteraard gemakkelijk uitgebreid worden. In een aantal landen zoals Duitsland, de VS en Australië gaat men er prat op dat een resem administratieve handelingen met de overheid perfect via internet kan geregeld worden. In de Amerikaanse deelstaat Arizona kon men recentelijk stemmen via internet.Er is op dit ogenblik heel wat aandacht voor de mogelijkheden die moderne technieken, met als koploper het internet, bieden ter bevordering van de openheid van de overheid. Daarbij wordt veelal uitgegaan van een fundamentele nieuwe visie: het centraal stellen van de burger. De burger is daarbij niet echt geïnteresseerd om wegwijs te worden in de wirwar van instellingen, lokale, regionale en federale overheden, maar is wel op zoek naar de concrete elementen die betrekking hebben op zijn behoefte. Daarbij wenst de burger bij het verlengen van een reispas eventueel ook de eigenlijke vliegtuigreis of het hotel te boeken. Deze behoefte is globaal en maakt geen onderscheid tussen elementen die vanuit de privé-sector of vanuit de overheid worden aangevoerd. Dergelijke visie werpt evenwel het licht op een aantal belangrijke uitdagingen. Vooreerst wat het openstellen van de overheid via internet aan de burger betreft. Een initiatief waarbij je op internet een foto van de minister vindt is uiteraard wel leuk, maar staat mijlenver af van wat e-government kan en moet gaan betekenen. De volgende stap is deze waarbij je aan burgers niet alleen de mogelijkheid geeft informatie te consulteren, maar ook zelf informatie laat inbrengen en uiteindelijk transacties via internet laat verrichten. Deze stappen vereisen uiteraard dat de juridische voorwaarden voor een veilig internetverkeer en eventuele geldverrichtingen worden gecreëerd. Digitale handtekening en mogelijkheid tot betalen via internet zijn daarbij een absolute noodzaak. Op dat vlak bengelt België ondertussen achteraan het Europese peloton, ook al hebben we in ons land uitstekende infrastructuurtroeven.Voorts zou het bedroevend zijn indien e-government, waarbij de burger echt centraal staat en waarbij transacties met de overheid on line mogelijk zijn, gerealiseerd wordt zonder dat de achterliggende informatica- en communicatie-infrastructuur aanwezig is. Daarbij kan het initiatief uitgaan van de federale overheid die, al dan niet tezamen met privé-partners, deze informatica- en communicatie-infrastructuur als platform realiseert. Dat platform kan dan gebruikt worden voor alle overheden, inclusief de lokale, om hun e-governmentinitiatieven op een zinvolle manier te realiseren. Een bijkomende vereiste is uiteraard het minimaliseren van de tarieven voor communicatie. Het lijkt er ondertussen op dat de federale overheid zich ten volle bewust is van deze uitdagingen en ze ook met de nodige creativiteit en realiteitszin wenst aan te pakken. De vraag rijst ook of voor het realiseren van deze infrastructuur de overheid één of andere vorm van permanente samenwerking met privé-partners wenst te realiseren. Mij lijkt het dat de mogelijkheid van dergelijke samenwerking met de privé-sector gekoppeld is aan de vraag in welke mate de overheid aanvaardt dat diensten en producten van de overheid en van de privé-sector gecombineerd worden. Indien dit zo is, staat de deur voor mogelijke public private partnerships wagenwijd open. Indien niet lijkt me dat dergelijke samenwerking wellicht mogelijk is, maar veeleer in een klassiek model van toelevering of desgevallend joint venture, waarbij de vergoeding aan de privé-partner gekoppeld is aan het realiseren van het project, maar niet aan de eventuele return die het project voor de partner kan brengen.De discussie over het samengaan van overheid en privé-sector in het kader van e-government stelt daarnaast een hele reeks potentiële juridische problemen. Men kan de vraag stellen of de overheid niet concurrentievervalsend gaat werken door met bepaalde partners diensten aan te bieden en niet met anderen. De vraag rijst ook naar de mate waarin de overheid aansprakelijk zou kunnen gesteld worden voor de informatie, producten en/of diensten die door een privé-partner in een gezamenlijke site worden gesteld. Voorts dient men na te gaan hoe ons administratief recht dergelijk samengaan zou kunnen ondersteunen en in welke mate de op het domein van de nieuwe technologie onaangepaste wetgeving op overheidsopdrachten zal spelen.Eenmaal het platform gerealiseerd is en e-government echt van start kan gaan, wordt het belangrijk maximaal ingebrachte informatie te kunnen hergebruiken. Dit creëert de behoefte om de overheid de mogelijkheid te bieden de informatie die ze bekomt van de burger te gaan beheren. Zo zou het invullen van een formulier veel makkelijker gaan indien de steeds terugkerende gegevens zoals adres en samenstelling familie automatisch in het formulier werden ingevuld als dit al voor een ander formulier werd ingevuld. Dit zou het vervullen van de formaliteiten gevoelig verminderen en dus ook de toegang tot de overheid bevorderen. Dergelijke uitwisseling van veelal persoonlijke informatie komt evenwel gemakkelijk in aanvaring met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het finaliteitsbeginsel. Het finaliteitbeginsel betekent dat de opgeslagen persoonsgegevens enkel mogen aangewend worden op een wijze die verenigbaar is met het oorspronkelijk vastgestelde doel van de verwerking. Voor een optimale uitwisseling van deze gegevens in het kader van een efficiënt e-government dient men zich evenwel te bezinnen of in het belang van de burger een grotere soepelheid niet geboden is.Daarnaast ontstaan vragen over het discriminerende karakter van internettoegang. De niet-mondige burger zonder pc heeft geen boodschap aan de vereenvoudigde toegang via internet en pc. Hoe efficiënter dergelijke toegang is, hoe meer deze zwakke burger dreigt gediscrimineerd te worden. Dit gaf bij de internetverkiezingen in Arizona in de VS aanleiding tot een rechtszaak die werd ingesteld door een minderheidsgroepering. Wellicht kan een aantal van deze uitdagingen gecounterd worden door ook andere, publieke toegangen tot de elektronische overheid voor de burger te creëren, bijvoorbeeld via televisie of een internetloket dat je dan in elk warenhuis of elk station vindt. Steven DE KEYSERDe auteur is advocaat-vennoot bij Caestecker & Partners