Advertentie
Advertentie

Een Bataaf in Parijs

De lichtzinnige corruptie van de Second Empire maakte haar tegelijk jong en oud, fris en verlept, aantrekkelijk en weerzinwekkend. Verschillende van onze helden uit de cultuur Flaubert en Baudelaire, Manet en Courbet, Proudhon en Hugo hadden onder haar autoriteit te lijden. Maar veel meer burgers profiteerden van het uiteindelijk vooral liberale, tolerante, vooruitstrevende regime. Protesteerden schilders dat ze niet tot de officiële salon behoorden, Napoleon III in hoogst eigen persoon suste ze met een officieel Salon des Refusés (1863). We gaan toch geen ruzie maken over principes!, moet de Keizer gedacht hebben. Niet met principes zwaaien, maar plaatsen uitdelen, dat was de boodschap! Zoals de genummerde series gasten die de keizer in de herfst op zijn kasteel in Compiègne ontving wekelijks wisselende series van telkens honderd select gekozen gasten, voor eten, drank, gemaskerd bal, theater, muziek en tableaux vivants mét de gasten. Een striemend gevoel van zelfparodie; het besef van voorlopigheid en corruptie dat als een weemoedig parfum in alle handelingen aanwezig is. En dan dat verbluffende cynisme waarmee iedere oprisping van ambitie bekeken en gebruikt werd. Ceremoniemeesters beheersten dit regime dat zich nooit echt ernstig nam; waarin de satire én de kritiek bloeiden, nu en dan op de vingers getikt en dan weer onverstoorbaar onder het verguldsel van een groot liberalisme verder bloeiden. Een sprookjeswereld die tot wanhoop dreef. Een paradijs voor cynici en de grote sensuelen. Een warenhuis van goedkope kunst. Naast de oprichters van Grand Magasins, stond iemand ik doe maar een greep in de ton als le Comte de Nieuwerkerke. Wie de heldendaden van de jonge, latere impressionisten heeft gelezen, kent zijn naam. Een tentoonstelling geeft nu een gezicht, een carrière, een allure aan deze Bataaf in Parijs.Vanuit zijn perspectief klopt het canonieke verhaal van de Franse avant-garde niet. Verre van onderdrukkend te zijn, was de Parijse Salon vooral tolerant. Eerder die tolerantie was een probleem het jaarlijkse festival van de beeldende kunst toonde op een bepaald moment maar even 4.000 werken! Het was alsof heel Frankrijk penseel en bijtel ter hand had genomen! De weigering te selecteren, werkte verstikkend. Trouwens men weerde niet de vernieuwing, maar zocht ijverig de stagnatie te doorbreken. Nieuwerkerke was een cruciale speler in de schone kunsten: hij had de keizerlijke collecties, het Louvre, het Salon de Peinture en de Ecole des Beaux-Arts onder zich. Hij beeldhouwde zelf (zoals zijn voorganger Vivant-Denon onder de eerste Napoleon schreef en graveerde). Nieuwerkerke verzamelde ook na 1870 verkocht hij zijn collectie aan Wallace. Het was het begin van de befaamde collectie met die naam in Londen. Kunst was (en is) hoe dan ook staatszaak in Frankrijk. Niet omdat men in kunst geloofde, maar omdat ze de locomotief is van decoratieve, toegepaste kunsten, van de luxenijverheden. Het regime investeerde in de industrialisering van het beeld, de esthetisering van de stad, de verantwoordelijkheid van het comfort. Kunst is een eminent lokmiddel voor de toerist: de toerist heeft comfort nodig, op zijn kamer en in de straat. Kunst tilt comfort op tot luxe. Een luxe die modern moest zijn en dus industrieel gemaakt, nagemaakt. Simili-oplossingen fascineerden ingenieurs, industriëlen en distributeurs. Reproductie was de geest in de fles. Het prachtige behangpapier van het Second Empire is tegelijk de echte radiografie van de periode. Nieuwerkerke had macht, maar misbruikte ze niet. Hoe zou hij ook, hij had immers geen programma. Het eclectische primeerde het is net als de gekostumeerde bals: iedere keer moet je in een nieuw kostuum, in een andere figuur, uit een andere tijd komen. Tegelijk baande dit esthetische liberalisme de weg voor een heel andere oplossing: de rationalisering van de kunst, de architectuur, de urbanistiek. De neogotische architect en restaurateur Viollet-Leduc was geen sentimenteel fantast. Hij was gefascineerd door de rationaliteit van de gotiek. Aan deze vader van ons modernisme vertrouwde Nieuwerkerke een grondige hervorming van de Ecole des Beaux-Arts toe. Een designschool moest het worden; weggehoond door de studenten, maar de blauwdruk lag klaar. Ze paste perfect in de grootse modernisering van de metropool: de sporen van het verleden werden uitgewist, imitaties kwamen ervoor in de plaats. Nieuwe machines, nieuwe procédés, nieuwe beelden, nieuwe ervaringen werden in wereldtentoonstellingen (1855 en 1867) aan het publiek voorgelegd. De Franse overheid wist (wat men in Londen in 1851 nog niet wist) meteen dat les beaux arts in die kermis thuishoorden. Het komt, wie de cataloog doorloopt en de situatie overdenkt, allemaal zo bekend voor. Aan de ene kant de diepe verwarring: er moet iets gebeuren, maar wat? Gevaarlijke vraag, want het zijn de Lenins die daarop een antwoord durven geven. Aan de andere kant het optimisme van een rationele aanpak: we weten misschien niet wat te doen, maar laten we het vooral rationeel aanpakken! Het dokterslatijn van onze managers, marketeers, imagostilisten. Het is zon handige domheid dat je de encyclopedie der domheid op muziek zou willen zetten. Madame Bovary herschreven en getoonzet door Offenbach. Tot zulke spookbeelden verleiden me de ceremoniemeesters van het Second Empire zoals deze Comte de Nieuwerkerke. DLLe Comte de Nieuwerkerke,Art et Pouvoir sous Napoléon III, Musée national du Château de Compiègne, tot 8 januari 2001. Open iedere dag van 10 uur tot 12u.30 en van 13u.30 tot 18 uur. Gesloten op dinsdag.