Een bescheiden pleidooi voor de antropologie

Al sinds het ontstaan van de antropologie als een zelfstandige academische discipline (ergens begin 19de eeuw), is deze wetenschap het onderwerp van hevige debatten. Ook nu nog blijft ze omstreden: voor velen blijft ze dat onderdeel van de menswetenschappen dat het verst verwijderd lijkt van het wetenschappelijk ideaal zoals dat door de exacte wetenschappen belichaamd wordt. Het recentste boek van de Amerikaanse culturele antropoloog Clifford Geertz (1926) onderneemt een poging om de onverwachte fascinatie die uitgaat van deze discipline te verklaren.Omdat de methode van participerende observatie, die de antropologie gebruikt, niet gebaseerd is op nauwkeurig omschreven protocollen, maar veeleer op een vage, onzekere en afwachtende openheid van een in een vreemde cultuur gedropte observator, lijkt de discipline elke stevige wetenschappelijke basis te missen. Maar toch... De (inderdaad bescheiden) inzichten die de antropologie desondanks weet bijeen te schrapen, laten zich niet zomaar wegredeneren. Dat blijkt al uit het feit dat ze een onverklaarbare aantrekkingskracht blijft uitoefenen op alle geesteswetenschappen die zich bezighouden met vraagstukken over culturele identiteit (filosofie, psychologie en geschiedenis). In zijn boek Available Light. Antrophological Reflections on Philosophical Topics stelt Clifford Geertz uiteindelijk vast dat precies datgene wat de exacte wetenschappen de antropologie verwijten - namelijk kennis te zijn die nooit het particuliere geval overstijgt - haar grootste kracht is.Over de toekomst van de antropologie als aparte discipline is niet iedereen even hoopvol gestemd als Geertz. Ondanks het relatieve succes van de antropologie buiten haar enge vakgebied, overheerst bij de betrokkenen een zeker gevoel van malaise. Een eerste aanwijzing vormt de stille uittocht van enkele belangrijke deeldisciplines uit de antropologie. Vooral onderzoeksdomeinen die verbonden zijn met de antropologische linguïstiek, zoeken hun heil bij andere wetenschappen, met meer aanzien. Het grote succes van bijvoorbeeld wetenschappen als de psychologie, de cognitieve wetenschappen en het onderzoek naar artificiële intelligentie, leidt ertoe dat de antropoligische linguïstiek enkel kan winnen door zich aan te sluiten bij deze technisch vooruitstrevende en resultaatgerichte disciplines. Eenzelfde scenario wordt zichtbaar bij de fysische antropologie: ook die schuift op in de richting van wetenschappelijk succesvollere disciplines - waarbij de spectaculaire vooruitgang in de genetica en neurologie als lokmiddel figureert. Het gevolg is wel dat de antropologie langzaam maar zeker uitgekleed wordt: de culturele antropologie dreigt als enige over te blijven. Maar ook daar, in het hart van de antropologische discipline, rommelt het.In het essay The state of the art geeft Geertz drie redenen voor deze crisistoestand. Ten eerste is er de druk van de vele nieuwe disciplines die zich op hetzelfde onderwerp als de culturele antropologie hebben gestort: onder de noemer van culturele studies nemen zij meer en meer het voortouw in het onderzoek naar de wijze waarop culturele normen in een maatschappij werken. De relatieve exclusiviteit van de culturele antropologie als de academische discipline bij uitstek die onderzoekt hoe betekenis cultureel geworteld is, wordt zo van buiten uit aangevallen. Als strategie tegen dit dreigende verlies van hun voornaamste onderzoeksobject, grijpen veel antropologen terug naar de ontwikkeling van een zekere wetenschappelijke rigeur, wat het antropologische denken dan zou moeten onderscheiden van het wilde denken dat die andere disciplines kenmerkt. De antropologie moet zich in hun ogen, naar aloude 19de-eeuwse gewoonte, opnieuw bezighouden met het achterhalen van algemene wetten, het ontwikkelen van paradigmas, en dergelijke. Kortom, de nood aan een groot verhaal waarin de hele geschiedenis van de mensheid naspeurbaar wordt, laat zich opnieuw gevoelen. Geertz deelt deze opinie niet: niet alleen leidt deze theoretische bouwdrift meestal tot het ontwikkelen van banale algemeenheden (als voorbeeld van zon absurde en zinledige antropologische wet geeft Geertz de stelling van enkele antropologen dat culturele invloed zich voortplant met een snelheid van twee meter per jaar), de vraag is ook of hier geen achterhoedegevecht wordt geleverd. Nu zelfs de exacte wetenschappen zulk rigoureus scientisme hebben opgegeven, lijkt dit streven inderdaad achterhaald.Een derde pijnpunt voor de antropologie wordt aan het licht gebracht door de postmoderne kritiek. Vooral het morele statuut van de antropologie, als een discipline die in het verleden toch een niet te onderschatten rol heeft gespeeld in de kolonisatie, wordt hierbij ter discussie gesteld. Maar niet alleen het verleden wordt kritisch onder de loep genomen: ook de kwestie of het opportuun is voor de antropoloog om in naam van de ander te praten, krijgt veel aandacht. Hoewel de kritiek zeker zinvol is en terecht wijst op de morele implicaties van de verhouding tussen de antropoloog en zijn onderzoeksobject, lijkt de antropologie toch weinig gebaat met de hysterische (en verlammende) navelstaarderij waartoe deze postmoderne kritiek vaak aanleiding geeft. Het is één ding te wijzen op de morele impasses van de antropologie, het wordt problematisch als deze kritiek enkel de morele zelfgenoegzaamheid stimuleert en het Westen ertoe aanzet zich terug te trekken in splendid isolation. Al dit kritische geweld dwingt de antropoloog ertoe zich te bezinnen over het statuut van de antropologische kennis. De vraag naar de specificiteit en de relevantie van het soort kennis dat de antropologie oplevert, moet hierbij centraal staan. Twee mogelijke antwoorden moeten volgens Geertz van de hand gewezen worden. De hier en daar nog geldende opvatting als zou de antropologie erop gericht zijn een universaliseerbare waarheid omtrent de menselijke natuur te ontdekken, kan niet langer volgehouden worden. Als de geschiedenis van de antropologie ons iets leert, dan wel dat het haar taak niet is om algemeen toepasbare wetten te formuleren omtrent de essentie van het mens-zijn (vooropgesteld dat die er zou zijn). Alle vroegere pogingen in die richting - zoals de 19de-eeuwse taxonomie van culturen, met aan de basis de primitieve Afrikaanse volkeren en aan de top de westerse cultuur - lijken minstens moreel verdachte trekjes te vertonen. Het is niet alleen onmogelijk om de inzichten die de antropologie aanreikt te gebruiken als bouwmateriaal voor een algemene theorie van de menselijke ontwikkeling, ook praktisch gezien lijkt er niet meteen een toepassingsgebied voor dit soort kennis te zijn. Het is met andere woorden geen wetenschap die de sociale ingenieur kan gebruiken om het publieke leven rationeel te beheersen. Ook daar heeft het verleden uitgewezen welke rampzalige gevolgen zulk gebruik van de antropologie met zich kan brengen, denk maar aan de rol die de antropologie speelde bij het kolonialisme. Wat we volgens Geertz dringend moeten beseffen, is dat het inzicht dat antropologisch veldonderzoek oplevert op een radicale wijze contingent is. Het is kennis over deze specifieke cultuur op dit specifieke moment. Hoe broos en fragiel dit soort kennis ook lijkt, toch is ze broodnodig. In een wereld waar we steeds meer en steeds dichter bij huis met culturele verschillen worden geconfronteerd, kan de antropologie ervoor zorgen dat de ontmoeting met de ander niet in het volledige duister plaatsgrijpt. Het is in de verrijking van onze morele verbeelding, de mogelijkheid die de antropologie ons lijkt te schenken om het menselijk bestaan vanuit een ander perspectief te bekijken, dat haar werkelijke waarde is gelegen. Het in kaart brengen van het terrein dat ons van de ander scheidt, behoort tot de werkelijke opdracht van de antropologie.Ondanks de broosheid van het antropologische weten, lijkt het niet erg verstandig de door haar aangedragen inzichten zonder meer als irrelevant van tafel te vegen. Meer zelfs, voor sommige disciplines kunnen haar inzichten zeer belangrijke repercussies hebben. In het laatste essay The world in pieces: culture and politics at the end of the century geeft Geertz hiervan een schitterend voorbeeld. Aan de hand van concrete studies toont hij aan hoe gegevens die door antropologisch veldonderzoek zijn verzameld, kunnen bijdragen tot een preciezer inzicht in de richting die een wereldomvattende politieke theorie zou moeten opgaan. De weg die Geertz hierbij voorstelt, is niet die van Samuel Huntington voor wie de wereldorde in toenemende mate bepaald wordt door de strijd tussen twee culturen (de christelijke versus de islamitische). Zon visie, die de wereld netjes verdeelt in twee cultuursferen, beantwoordt volgens Geertz niet aan wat zich echt op het terrein afspeelt. In de huidige, gefragmenteerde wereld zitten de grote culturele verschillen niet langer tussen de landen onderling, maar zijn ze doorgesijpeld tot op het niveau van het individu. Het verschil (de ander) duikt reeds op aan de grens van het eigen lichaam. In zon uiterst fragiele constellatie waar de inwoners van een land een rollenspel met verschillende sub-identiteiten spelen, is het natuurlijk moeilijk werken voor die theoretici die het van het grootse, meeslepende verhaal moeten hebben.Met zulke koppige particulariteiten, die zich niet willoos laten wegcijferen in één overkoepelend verhaal, kan de politieke theorie niet overweg. Een groot deel van de verwarring die de politieke theorie heden ten dage kenmerkt, vloeit trouwens voort uit het feit dat het juiste vocabularium ontbreekt waarmee we dergelijke door de antropologie blootgelegde fenomenen zouden kunnen beschrijven. Zo gebruikt ze nog steeds het funderende concept van de natie-staat bij de ontwikkeling van haar verhaal, terwijl heel wat spanningen in Afrikaanse landen precies te maken hebben met het uiteenvallen van dit begrip van natie-staat. Staatsvorming verloopt nu anders dan in het 19de-eeuwse Europa. Idem dito voor het cultuurbegrip: voor de politieke theorie à la Huntington verschijnt de cultuur als een semantische monade die maar één en hetzelfde product kan afleveren. Enkel in staat de cultuur te denken als consensus, zal de theorie er niet in slagen de huidige culturele spanningen, die meer te maken hebben met een aangescherpte intraculturele diversiteit, in een juist kader te plaatsen. Het is in de ontwikkeling van een nieuwe taal, die het specifieke niet domesticeert noch wegcijfert, dat de antropologie een belangrijke rol kan spelen. Als wetenschap van het particuliere is er voor de antropologie nog een gouden toekomst weggelegd. SHu Clifford Geertz - Available Light. Antrophological Reflections on Philosophical Topics - 2000, Princeton University Press,288 blz., ISBN 0-691-04974-2.