Een binnenkant geknutseld

Zon twee maanden geleden ging Scratching the Inner Fields, de nieuwste productie van Wim Vandekeybus en zijn gezelschap Ultima Vez, in Parijs in première. Afgelopen week was ze op uitnodiging van het Festival van Vlaanderen voor het eerst bij ons te zien. Met een uitsluitend vrouwelijke cast van vijf danseressen en twee actrices gaat Vandekeybus aan de slag met de sprookjeswereld van Peter Verhelsts roman Zwellend Fruit, ondersteund door een soundtrack van Eavesdropper. Verrassend sobere beelden verlenen zichtbaarheid aan allerhande duistere krachten die het vrouwenlichaam drijven. Ondanks die eenvoud is Scratching the Inner Fields erg wisselvallig van kwaliteit, het mist geregeld spanning en trefzekerheid.Het eerder beperkte speelvlak is nagenoeg leeg en duister op een helwitte lichtvlek na. Als de danseressen een voor een opkomen, doen ze dat bijzonder stil, traag, afwachtend, nemen hun tijd om de potentie van de ruimte te laten groeien. Onder de spot bekijkt een danseres haar voeten: de eerste stap van een zoektocht. In de desolate ruimte ontbreken verder alle leessleutels. Dat zal zo blijven, de beeldende teksten van Peter Verhelst worden in de voorstelling slechts af en toe uitgesproken, ze zijn als het ware verinwendigd: groteske transformaties van wat vrouwen zoal kunnen zijn, wat hen drijft, of wat daar zoal over gezegd wordt. Die rol van de taal, van spreken en lezen, krijgt in Scratching the Inner Fields een wending, die slechts in de slotzin geëxpliciteerd wordt: Je hebt vingers en een tong. Meer heb je niet nodig om me te kunnen lezen. Het duistere universum vraagt dan ook niet om gelezen of begrepen te worden, de dynamiek komt van elders.Zo is ook het verloop van de voorstelling opgevat: er ontstaat plots beweging als er netjes uit de hemel komen gevallen. Als ze voor een lamp gespannen worden blijken het buikvliezen te zijn, letterlijk dat wat onze binnenkant samenhoudt. De danseressen duiken de vallende vliezen na, agressief of net speels, verkennend of stoeiend, traag of snel. Het zijn eenvoudige maar expressieve bewegingen, waarin elke danseres haar eigen taal kan uitwerken, haar innerlijk verbeelden. Dat alles wordt opengewerkt tot een groepschoreografie die divers is qua schriftuur, van virtuoze en verfijnde martiale bewegingen tot brute fysieke expressie. Vandekeybus doet dat slim: geen revue van solos, eerder een accumulatie van gebeurtenissen zonder regelmaat, die nu eens de vorm van een cluster aanneemt, dan weer een open ruimte laat spreken. Het kluwen vormt als het ware één lichaam, waarin langzaamaan de groteske fantasieën van Verhelst doorsijpelen.Dit geheel is ondenkbaar zonder de soundtrack van Eavesdropper (Yves de Mey), die verbluffend is in zijn functionaliteit. Een soundscape onderstreept in zijn abstractie en suggestiviteit heel wat beelden, en bemiddelt in de danspassages: versterkt deze door verdubbeling, of creëert net verwachtingspatronen. De muziek heeft een alles omvattende sfeer die zorgt voor een sterk ruimtelijk gevoel. En precies daardoor kan de dans aandacht vragen voor allerhande kleine details die anders te klein of onbeduidend zouden zijn, de muziek laat toe de focus te verleggen. Een opzichtige handeling is bijvoorbeeld het spel van een danseres met het foedraal dat rond haar zilveren hand zit: eens het doosje geopend, vliegt het met een rotvaart door de ruimte. Maar ook aanrakingen, een object dat verplaatst wordt, een versterkte zucht of hartklopping: talrijke details kleuren het grauwe landschap, maken het tastbaar, leesbaar voor lichamen.Net als je je verbaast over de soberheid die Vandeybus hier hanteert, haalt de man een overdaad aan gimmicks boven, die de magie teniet doen. Ze zijn soms spitsvondig, soms al te bekend: een al te hevig onweer, een truc met zakken zand Enige dosering en integratie in het geheel is ver te zoeken. De performers maken plots volop gebruik van tekst, waardoor het stuk naast richting tempo en scherpte verliest en ontaardt in een zootje. Slechts een van de ingrepen trekt nog een spoor: als er tientallen stokken onder luid gedaver naar beneden komen, wordt de scène hertekend in een nieuw landschap. Daarin danst Iona Kewney met een kronkelend lijf een hoogst eigenzinnig parcours en smeedt ze zo een band tussen haar eigen kracht als performer en de visuele omkadering.In de slotchoreografie verraadt Scratching the Inner Fields zichzelf: nu muziek, decor, tekst en dans niet meer samenklitten, rest er werkelijk niets. Wat eerst een sterk ruimtelijke kwaliteit had waarin details konden floreren, blijkt plots zonder diepte. Wat eerst eenvoud leek, blijkt uiteindelijk al te eenvoudig: de hele constructie is ineens al te labiel omdat de samenstellende delen op zich betekenisloos zijn. Dat is jammer, want met functionele muziek zonder functie koop je niets, de performers blijken niet sterk genoeg om op eigen kracht het schip recht te houden, en de naakte choreografie heeft uiteindelijk niets om het lijf. Vandeybus is altijd meer een regisseur en beeldenmaker geweest dan een choreograaf, maar dit is niets anders dan geknutsel.Kunnen we dan enthousiast zijn over Scratching the Inner Fields? En waarom deed de internationale pers er zo wild over? De voorstelling mag met voorsprong het beste zijn wat Vandekeybus de laatste jaren afleverde, voor iemand met zijn naam, faam en ervaring is het een mager beestje. Vandekeybus werk is al lang niet meer vernieuwend en eerder entertainment. Maar kwaliteit zouden we van hem toch mogen verwachten: de wisselvalligheid van Scratching the Inner Fields is niet eens het resultaat van het nemen van artistieke risicos. JPeScratching the Inner Fields speelt vanavond nog in het Lunatheater in Brussel (inlichtingen en reservatie: 02/201.59.59). Van 1 tot 4 mei zijner voorstellingen in Vooruit in Gent (09/267.28.28); van 8 tot 11 mei in deSingel in Antwerpen (03/248.28.28). Nadien volgteen internationale toernee. Inlichtingen: www.ultimavez.com