Een conventioneel EuropaKris van Haver

De Europese Conventie heeft na acht maanden werking een geraamte van een Europese grondwet opgeleverd. Dat skelet, dat in sommige onderdelen sterk de signatuur draagt van de voorzitter, Valéry Giscard DEstaing, moet tegen midden volgend jaar vlees en bloed hebben.In de EU-Conventie is de tijd van vrijblijvende gesprekken dus voorbij. Gisteren is na de luisterfase definitief het echte werk begonnen voor de conventionelen, zoals Giscard zijn honderdkoppige vergadering steevast noemt. Het skelet vertoont duidelijke trekjes van de conservatieve en zeer Franse ideeën van Giscard. De notie van een president voor de unie is er een van. De oprichting van een Europees Congres, met nationale en Europese parlementsleden, is een andere oude Franse droom. Giscard is een typisch vertegenwoordiger van het Europa van de naties. En bij voorkeur het Europa van de grote naties. Zijn summiere definitie van het nieuwe Europa liegt er niet om. Hij noemt het een unie van Europese staten, die hun nationale identiteit bewaren en het beleid op EU-niveau strikt coördineren en die op federale basis bepaalde gemeenschappelijke bevoegdheden beheren.Erg vrijblijvend, zo klinkt dat. Toch is het geraamte geen oefening uit de losse pols geworden. Net zoals in een echt skelet zal het zeer moeilijk worden botjes te verwijderen of te verwisselen. Dat weet Giscard. En dat weet ook Londen. De Britse diplomatieke machine heeft de Conventie de voorbije weken met precisie en rechtstreekse orders uit Londen bewerkt. In de vele werkgroepen slaagden de Britten erin het gewicht maximaal op samenwerking tussen de hoofdsteden te leggen. In veel dossiers werden bestaande EU-verworvenheden en exclusieve bevoegdheden van de Europese Commissie opnieuw op de helling geplaatst.Tegen die Britse pletwals komt totnogtoe nauwelijks verzet in de Conventie. Van de Belgische conventieleden kan het verweer niet komen. De politici met hun drukke agenda die zich zoveel moeite getroostten om benoemd te worden in de Conventie, zijn nauwelijks aanwezig op plenaire zittingen van de Conventie en nog minder actief op de vergaderingen van werkgroepen. Van het zoeken naar bondgenoten in dit o zo belangrijke dossier - toch een geesteskind van premier Guy Verhofstadt - is al helemaal niets gekomen. Pas nu worden de eerste pogingen ondernomen om met Duitsland en de Benelux een front te vormen voor een federalere aanpak. Toegeven aan de verleiding nu al vast te leggen dat er een Europese president of een volkscongres kan komen, zou dit front alle wapens ontnemen. Een resoluut en tijdig bijsturen van het conventiedebat naar een gemeenschappelijk communautair project is het enige mogelijke antwoord. Zoniet dreigt België vrede te moeten nemen met een wel erg conventioneel Europa à la Blair of à la Giscard. Dan kan dit skelet misschien zelfs beter onder de grond blijven.