Advertentie
Advertentie

Een copernicaanse revolutie voor de hoofdstad

Onlangs reikte de Stichting Emiel Van De Gucht haar driejaarlijkse prijs uit aan de auteurs van de studie Vlaanderen: hoeksteen van het Brussel van de 21ste eeuw. In deze studie maken Guy Clémer, Stefaan Huysentruyt en Wim van der Beken een scherpe analyse van de evolutie van de Brusselse instellingen. Zij formuleren ook een reeks interessante voorstellen om te komen tot een nieuw statuut voor Brussel.Sommigen zullen ongetwijfeld vragen waarom, elf jaar na de start van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, alweer gediscussieerd moet worden over de Brusselse instellingen. De ervaring van de voorbije elf jaar bewijst de noodzaak van een aantal fundamentele hervormingen. Hervormingen die van essentieel belang zijn voor alle Brusselaars, voor alle Vlamingen en voor alle Belgen.Niemand zal de verdiensten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ontkennen. Na jaren van federaal non-beleid inzake stedenbouw heeft het Hoofdstedelijk Gewest een dynamisch beleid ontwikkeld inzake stadsontwikkeling en renovatie van vervallen wijken. Er blijft op dit vlak ook nog veel te doen. Maar er wordt tenminste werk van gemaakt.Hetzelfde kan niet gezegd worden van de hoofdstedelijke rol van Brussel. Tot nu toe werd veel te eenzijdig de nadruk gelegd op de ontwikkeling van Brussel als Gewest, volgens hetzelfde sjabloon als Vlaanderen en Wallonië. Daarbij werd voorbijgegaan aan het feit dat Brussel qua omvang en sociaal-economisch draagvlak fundamenteel verschilt. Evenmin werd aandacht ingebouwd voor de rol van Brussel als federale hoofdstad en vooral als hoofdstad van de twee grote gemeenschappen.Wat dat laatste betreft, moet op een reeks belangrijke tekortkomingen gewezen worden. Ten eerste is er de tweetaligheid in Brussel. Het Hoofdstedelijk Gewest maakt er zich op dit vlak al te snel van af met het strikte minimum aan inspanningen voor zijn eigen diensten. Van een actief beleid ten aanzien van alle maatschappelijke actoren om een doorleefde tweetaligheid van het hele openbare leven te stimuleren, is ook al geen sprake. Dit is geen achterhaald taalflamingantisme. Wie de tweetaligheid van Brussel verwaarloost, ondermijnt de hoofdstedelijke rol en daarmee ook de toekomst van Brussel. En wie de eentaligheid in Brussel koestert, koestert ook de Brusselse werkloosheid.Een tweede tekortkoming is het gebrek aan een hoofdstedelijk onthaalbeleid ten aanzien van Vlamingen en Walen. In het kader van zijn internationale roeping heeft Brussel de jongste jaren wel werk gemaakt van een onthaalbeleid ten aanzien van de Europese en andere internationale instellingen. Maar van een beleid dat Brussel meer aantrekkelijk en toegankelijk moet maken voor alle Vlamingen en Walen is vooralsnog weinig of geen sprake. Nauw verwant is een derde tekortkoming: het gebrek aan soepele samenwerking met de andere gewesten en meer bepaald met het omliggende Vlaanderen. Zo is het toch onbegrijpelijk dat Brussel zich blijft verzetten tegen een ruimere rol voor de VDAB en zijn jobaanbod in de hoofdstad en verkiest de Brusselse werkzoekenden als het ware op te sluiten binnen gewestelijke muren.In de naam van het heilige région à part entière willen sommigen Brussel blijven uitbouwen als een stadstaat, in plaats van een hoofdstad. Zij willen deze stad beladen met bevoegdheden voor landbouw, wetenschapsbeleid en buitenlandse handel, waarvoor het objectief gezien onvoldoende draagvlak heeft. En zij willen doen alsof Brussel een eiland is op domeinen zoals ruimtelijke ordening, huisvesting, milieu, werkgelegenheid en mobiliteit. Dergelijke houding kan enkel leiden tot negatieve resultaten voor Brussel op al deze beleidsdomeinen. Daarmee zijn de Brusselaars niet gediend. En de rest van de Belgen evenmin.Het wordt tijd dat de federale overheid haar verantwoordelijkheid neemt. Het statuut van de hoofdstad belangt immers alle Belgen aan. De voorstellen van Clémer, Huysentruyt en Van der Beken bevatten heel wat institutionele details waarover men kan discussiëren. Maar de kern van hun voorstel, met name het omvormen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot een echt tweetalig stadsgewest en het nauwer betrekken van de gemeenschappen bij de inhoudelijke en financiële invulling van de hoofdstedelijke rol, is ongetwijfeld de juiste keuze. Ik stel trouwens vast dat deze en heel wat andere voorstellen van deze wetenschappelijke studie in het verlengde liggen van de resoluties die het Vlaams Parlement op 3 maart 1999 goedkeurde.Er is in Brussel behoefte aan een copernicaanse revolutie. Sommigen lijken te denken dat het land en zijn burgers er zijn voor de hoofdstad en zijn bestuurders in plaats van omgekeerd. Hebben zij zich ooit afgevraagd wat het voor Brussel zou betekenen indien het de hoofdstedelijke rol zou verliezen die België, Vlaanderen, de Franse Gemeenschap en Europa het toegewezen hebben? Misschien moet de regering ook maar eens een referendum organiseren over hoe de Belgen denken over het functioneren van hun hoofdstad. Maar in ieder geval moeten we op federaal niveau, op korte termijn, tot een diepgaand gesprek komen over een aangepast en werkbaar statuut voor de hoofdstad. Een statuut waarin we een beleid kunnen uitwerken voor een leefbare woonstad en een aantrekkelijke hoofdstad voor alle Vlamingen en Franstaligen. Als we België willen omtoveren tot een modelstaat, kunnen we alvast beginnen met een modelhoofdstad. Brigitte GROUWELSDe auteur is Vlaams en Brussels parlementslid voor de CVP