Advertentie
Advertentie

een gemiste kans?

Wat een eenvoudig, helder, duidelijk en efficiënt instrument moest worden, dreigt te verworden tot een pap die niemand lust. Eind vorig jaar, op de Europese top in het Franse Nice werd - althans voor de buitenwacht - helemaal onverwacht beslist om de Europese vennootschap, of beter Societas Europaea (SE) in te voeren. Onverwacht, omdat al ruim veertig jaar over de Europese vennootschap wordt gepraat. Professor Pieter Sanders hield in 1959 al een toespraak over de idee van een Europese vennootschap. In 1966 presenteerde hij een studie aan de Europese Gemeenschap met een vergelijkende analyse van het vennootschapsrecht in zes landen. Zes landen, omdat de Europese Gemeenschap toen slechts zes leden telde. Toen had men de Europese vennootschap relatief makkelijk kunnen invoeren. Nu zijn er vijftien lidstaten en dus evenveel meningen en straks komen er nog eens zoveel lidstaten bij. In 1966 waren er al grote meningsverschillen, met name inzake de werknemersparticipatie. In 1970 presenteerde de Europese Commissie een eerste ontwerp en koos voor het Duitse model van Mitbestimmung. Het voorstel van verordening met 68 artikelen en het voorstel van richtlijn met 17 artikelen die alebei op 8 oktober werden goedgekeurd, zijn veel beknopter dan de oorspronkelijke voorstellen van onder anderen Sanders. Maar de supranationale structuur die Sanders voorstelde, is vervangen door een structuur die veel mogelijkheden biedt tot afwijking. Juristen vinden de verordening en richtlijn over de SE een stevige stap vooruit. Er is eindelijk een statuut dat mettertijd verfijnd kan worden. De fiscalisten en sociale juristen maken echter brandhout van de SE zoals die nu wordt geïntroduceerd. Er is geen gemeenschappelijk fiscaal stelsel waardoor elke lidstaat in een intense concurrentiestrijd gestort wordt om de maatschappelijke zetel van Europese vennootschappen binnen te halen. Sociaal is een ingewikkeld systeem uitgedokterd. Volgens professor arbeidsrecht Roger Blanpain koos men voor een ondoorzichtig systeem waarbij elk land wat aan zijn trekken komt. Het alternatief was een duidelijke regeling met een Europese ondernemingsraad voor de SE.Op fiscaal vlak was een uniform systeem voor de hele SE ideaal geweest. Maar fiscaliteit is de kern van de nationale soevereiniteit van elke lidstaat. Een uniform belastingstelsel voor de SE met één Europese aangifte zou een stevige regeling over de verdeling van de belastingopbrengsten vergen. De lidstaten bedankten voor deze discussie en kozen voor het voortbestaan van de fiscale concurrentie in de EU. Tekenend voor het enthousiasme dat de regeling voor de Europese vennootschap opwekt, is dat op een conferentie van het Management Center Europe 45 aanwezige topbedrijven hun neus ophaalden voor de SE in zijn huidige vorm. Ook Belgische bedrijven als Fortis en Dexia en de nieuwe staalgroep Arcelor, die van meetaf zei een Europese vennootschap te willen vormen, behouden het stilzwijgen. Fortis fuseerde zijn beide aandelen zonder te wachten op de Europese vennootschap en creëerde in de plaats de Fortis-units. Precies het ontbreken van zoiets als een Europese vennootschap, dwong Fortis in 1990 om een ingewikkelde bi-nationale structuur op te zetten. Het enige tastbare voordeel van de SE is dat grensoverschrijdende fusies en de verplaatsing van de maatschappelijke zetel naar een ander land binnen de Europese Unie voortaan zonder fiscale bestraffing zal kunnen gebeuren. De praktijk zal moeten uitwijzen of dat klopt. Vast staat dat als de Europese vennootschap wegens gebrek aan eenvoud en doorzichtigheid zo weinig weerklank vindt bij de grote bedrijven, het zeker (nog) geen spek voor de bek is van middelgrote groeibedrijven die hun vleugels willen uitslaan in heel Europa. Kris Barrezeele