Advertentie
Advertentie

Een intellectuele biografie van Nietzsche

We laten ons niet verleiden tot de uitspraak dat de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche honderd jaar na zijn dood opnieuw actueel is. Hij is dat waarschijnlijk de hele voorbije eeuw lang gebleven, al werd hij overigens niet helemaal ten onrechte in het kader van een verkeerde ideologie ingepast, om vervolgens herontdekt te worden door de progressief aangelegde intelligentsia. Nietzsche dus, eigenlijk onsterfelijk, zoals hij zelf al vermoed had.Biografieën van de man zijn er voldoende in aanbieding. Herinneren we maar aan de diepgravende studie van zijn landgenoot Curt Paul Janz (die in het Nederlands in twee delen verscheen bij Tirion in Baarn in 1990). Een schare intellectuelen oordeelde het eveneens noodzakelijk Nietzsche uitgebreid te willen verklaren: Georges Bataille, Gilles Deleuze, Karl Jaspers, Michel Foucault, Martin Heidegger en Peter Sloterdijk...Rüdiger Safranski, die al een soliede Heidegger-biografie op zijn geweten heeft, wilde aan al die literatuur zijn eigen visie toevoegen, een boek dat het midden houdt tussen biografie en analyse en dus uit noodzaak de ondertitel Een biografie van zijn denken meekreeg. Toevallig is dit niet: voor Nietzsche was denken de essentie van zijn leven, dat waar hij zich voortdurend aan optrok, dat wat jarenlang zijn enige troost was. Voor Nietzsche, schrijft Safranski, is denken zijn lust en zijn leven, hij wil er onder geen enkele omstandigheid van afzien en is het leven dankbaar dat deze lust hem toevalt.Lichamelijk lijden was zijn deel, vele kwalen teisterden hem fysiek, maar het feit dat hij kon denken, redeneren en schrijven, hield hem psychisch overeind. Het verband tussen lichamelijk lijden en geestelijke triomf was bij geen filosoof ooit duidelijker te onderkennen. Nooit heb ik, schrijft Nietzsche zelf in Ecce Homo, zoveel geluk gekend als in die perioden van mijn leven waarin ik het ziekst was en het meeste pijn leed. Al was dat leven maar erg tijdelijk: nauwelijks 56 zou hij, krankzinnig zoals de overlevering het wil, in 1900 overlijden. Niet alleen denken staat bij hem centraal, ook de esthetische overweging: de schoonheid van de kunst overheerst, maakt de mens tot wat hij is. Hij stelde zich hierin extreem op, verklaarde het intellect tot hoogste goed van de mensheid, en eerde daarmee de primauteit van de intellectuele elite. Voor wat Nietzsche betrof, was in het midden van de negentiende eeuw, de socratische cultuur hij werd lange tijd gedreven door de klassieke Griekse kennis , de cultuur dus die de zucht naar kennis en naar wetenschap inhield, dominant geworden. Die cultuur voerde echter democratische, egalitaire ideeën aan. Daar had Nietzsche duidelijk een probleem mee.Voor hem kwam het er immers op aan, dat je ofwel het welzijn van een zo groot mogelijk aantal mensen nastreeft, ofwel dat de beschaving haar heil zoekt in de onnavolgbare verwezenlijkingen van een beperkte intellectuele elite. Nietzsche kiest uiteraard voor het tweede, hij hoort immers, oordeelt hij, bij die elite. Hij kiest dus voor het esthetische fenomeen en verwerpt daarmee de morele denkwijze. De elite, stelt hij, hoeft geen sociaal nut te hebben, het is genoeg dat ze bestaat en dat ze in esthetische zin béter is dan de massa. Die elite, gaat Nietzsche verder, vertegenwoordigt geenszins de mensheid, doch alleen zichzelf. Zij vertegenwoordigt haar eigen intellectuele hoogtepunten. Je kan echter geen algemene, democratische welvaart hebben, én tegelijk een duidelijk ontwikkelde elite, dacht Nietzsche. Maatschappelijk gezien moet je nu eenmaal een keuze maken. In de Oudheid was dat ook zo: de Griekse samenleving propageerde openlijk de slavernij als maatschappelijke keuze, en ook Plato verdedigde die.Voor Nietzsche was het evenwel pijnlijk te ontdekken dat in zijn eigen tijd de arbeid in toenemende mate verheerlijkt werd. Gedaan met slavernij, het harde labeur kreeg een romantische laag vernis. Het was een vorm van heldendom twaalf uur per dag in de fabriek of in de mijn te ploeteren. Voor Nietzsche ging dit idee geenszins op. Eens de primaire behoeften voldaan, vond hij, hoorde de massa zich ten dienste te stellen van de elite. Maar eenzijdig gelukkig is hij toch ook niet met die gedachte. Hij is zich immers bewust van de inherente onrechtvaardigheid van het kapitalistische systeem en van de opdeling waartoe deze de moderne wereld veroordeelt. Hij vindt het met name onterecht dat sommigen tot mechanische arbeid gedwongen zijn terwijl anderen vanwege hun begaafdheid zich scheppend mogen uiten. Arbeid adelt dus niet, ze is een verguldde vorm van slavernij. Persoonlijk voelt hij zich ook schuldig, vooral omdat hij zich rekent tot de begunstigden in de samenleving. Maar hij vindt dat er geen keuze is. Kunst, cultuur en kennis zijn nu eenmaal niet te verenigen met egalitaire, democratische principes. Die laatste leiden er immers alleen maar toe dat kunst, cultuur en kennis ons voeren tot bij de meest abjecte en banale vormen van entertainment en dat zij de esthetische principes van de schoonheid vernietigen. Nieitzsche, schrijft Safranski, was ervan overtuigd dat de kunst in de moderne tijd aan een dubbel gevaar blootstaat: zij kan in de sociale revolutie op- en ondergaan, of zij kan zich aan de sociale nuttigheid aanpassen en daarmee haar waardigheid als doel op zichzelf inboeten. Ofwel wordt zij door het sociale verslonden, ofwel past zij zich daaraan aan en degradeert tot engagement. Hedendaagse cultuurideologen horen Nietzsche te herlezen.Geen wonder dat hij aan dit aspect van de ontwikkeling van de samenleving zo zwaar tilde: het immense van het leven, oordeelde hij, kan immers het best benaderd worden met behulp van de kunst, in het bijzonder de muziek. Maar naast de kunst was het denken en specifiek de filosofie voor hem onmisbaar, als een wanhopige maar hartverwarmende troost. Van menselijke zwakheden was hij niet ontdaan. Hij miste, als we zijn biografe Lesley Chamberlain mogen geloven, het vermogen om anderen objectief te beoordelen, omdat hij zo in beslag genomen was door zijn eigen gedachten en gevoelens. Maar hij besefte ook dat zijn ideeën wel eens niet voor zijn eigen tijd geschikt zouden kunnen zijn. Misschien waren er mensen in de toekomst die er nut van konden ondervinden? In 1887 schreef hij: Ik ben mensenkenner genoeg om te weten hoe over vijftig jaar het oordeel over mij zal zijn omgedraaid, en in welk een glorie van eerbied de naam van uw zoon dan straalt, om dezelfde dingen waarom ik nu onheus behandeld en uitgescholden wordt. Dat was geen boutade, hij schijnt het wel degelijk gemeend te hebben. En hij kreeg nog gelijk ook. GELRüdiger Safranski - Nietzsche, een biografie van zijn denken - 2000, Amsterdam, Atlas, 380 blz., 1.495 fr., ISBN 9045002787