Een uitdaging voor de moderniteit

FILOSOFIE 'Wat betekentreligie vandaag?' Charles Taylor2003, Kapellen/Kampen,Uitgeverij Pelckmans/ Uitgeverij Klement,108 blz., 12,95 euro,ISBN 90-289-3303-4. Spreken over godsdienst is opnieuw 'salonfahig'. Filosofen als Jacques Derrida en Gianni Vattimo hebben van 'de terugkeer van de religie' opnieuw een belangrijk filosofisch thema gemaakt. Dat doet ook de Canadese filosoof Charles Taylor. Op de laatste pagina's van zijn filosofische hoofdwerk 'Sources of the Self' (1989) lijkt Taylor te zeggen dat we de moderne identiteit niet kunnen begrijpen zonder een verwijzing naar haar religieuze wortels. Zijn recente essay 'Wat betekent religie vandaag?' probeert dat op een genuanceerde en geengageerde manier te verduidelijken. Het vertrekpunt van Taylor is zijn dialoog met de Amerikaanse psycholoog en filosoof William James en in het bijzonder diens studie 'Vormen van de religieuze ervaring' (1902). Het boek werd aan het begin van de 20ste eeuw geschreven, maar voor Taylor bevat het nog steeds fundamentele inzichten in de moderne religieuze ervaring. Taylor noemt William James een filosoof die zich op de splitsing van twee wegen bevond: 'Hij beschrijft een cruciale plek van de moderniteit en articuleert het beslissende drama dat zich daar afspeelt.' Met veel bewondering schrijft Taylor over de belezenheid, het observatievermogen en de grote gevoeligheid van James voor de religieuze ervaring in een moderne wereld. Maar tegelijk spreekt hij zich meer dan eens duidelijk uit over de beperkingen van James' analyse. Voor Charles Taylor is James de getuige van een fundamentele verschuiving in het denken over en ervaren van religie. Een verschuiving die alles te maken heeft met de ontwikkeling van de moderniteit. James neemt de religieuze ervaring zeer ernstig en verdedigt haar tegen de agnostische intellectuele cultuur van zijn tijd, maar hij maakt haar wel los uit haar verankering in een gemeenschap. In zijn boek gaat James op zoek naar de religieuze 'ervaring': de oorspronkelijke en persoonlijke ontmoeting met het sacrale. Dat zeer individuele moment is voor James de zuiverste religieuze intuitie. Wie deze ervaring ondergaat, noemt James 'de tweemaal geborenen'. Zij zijn 'de zieke zielen' van deze wereld die slechts pijn, verlies, kwaad en lijden kunnen zien. Taylor verwijst naar de Franse dichter Charles Baudelaire als een van de eerste moderne schrijvers die dit algemene zinverlies hebben aangevoeld. Individueel De religieuze ervaring is een uitzonderlijk moment. Alles wat daarna gebeurt - de verwoording ervan, de omzetting in leefregels en rituelen, de institutionalisering - is voor James alleen maar verzwakking, banalisering en uiteindelijk ontkenning van de oorspronkelijke kracht. Taylor volgt in de moderne geschiedenis het spoor van het denken dat tot James' verdediging en verabsolutering van de individuele religieuze ervaring heeft geleid. Dat spoor trekt hij door tot de hedendaagse spiritualiteit die zich niet meer buigt naar normen, dogma's en autoritaire eisen van religieuze instellingen. Onze leefwereld wordt gekenmerkt door een 'expressivistische' cultuur: in die opvatting heeft ieder van ons zijn of haar manier om het eigen bestaan te realiseren en moet dat gebeuren los van een van buitenaf opgelegd model. Dat we uiteindelijk weinig anders doen dan modellen navolgen, doet niets af aan de kracht van de ideologie van de authenticiteit. Dit expressieve individualisme uit zich in de religie in de nadruk op een spiritualiteit die zich volledig heeft losgemaakt van de gemeenschap. Ons religieus aanvoelen is met andere woorden jamesiaans. Tegenover de opvatting van James plaatst Taylor die van de socioloog Emile Durkheim. Voor Durkheim is religie in de eerste plaats een sociaal fenomeen dat pas vorm aanneemt in een proces van institutionalisering. Taylors visie op de plaats van de religie loopt over een strakgespannen koord tussen James' innerlijke beleving enerzijds en Durkheims sociale inbedding anderzijds. Communautair In al zijn werken zocht Charles Taylor een soort van middenpositie tussen 'liberalisme' en 'communitarisme'. Taylor is een pleitbezorger van de vrijheden en verantwoordelijkheden van het moderne individu, maar tegelijk had hij steeds oog voor de noodzaak van een verankering van het individuele leven in een gemeenschap. Taylor is zich te scherp bewust van de opeenvolgende breuken tussen individu en gemeenschap die de moderniteit kenmerken om een naief communautair alternatief te ontwerpen. Toch is zijn hele filosofische denken gericht op het positief articuleren van wat moderne individuen zou kunnen binden in betekenisgeving, verantwoordelijkheid en zorg. De grote kritiek van Taylor op James is dan ook dat die laatste het belang van de religieuze gemeenschap en institutionalisering volledig verwerpt. James schreef zijn werk op de drempel van de 20ste eeuw en heeft een aantal ontwikkelingen niet kunnen voorzien. Aan de hand van een aantal voorbeelden (Ierland, Polen) maakt Taylor duidelijk dat religie een minder particuliere aangelegenheid is dan de algemeen aanvaarde visie op de moderniteit zou doen veronderstellen. Hij brengt daarenboven belangrijke onderscheidingen aan tussen de ontwikkelingen in protestantse en katholieke landen. Het is in die nuances en historische subtiliteiten dat veel van de kracht van dit kleine boekje verborgen ligt. Taylors essay is niet alleen genuanceerd, maar ook geengageerd. Het is een pleidooi voor een besef van een groter verband. Taylor overtuigt wanneer hij stelt dat in de moderniteit zowel geloof als agnosticisme steeds met zijn tegendeel verbonden blijft. Vele mensen worden in beide richtingen getrokken: 'Ze moeten een richting kiezen, maar ze kunnen nooit volledig doof blijven voor de verlokking van de andere', aldus Taylor. Het is dit 'drama op de drempel' dat voor Taylor een van de grote uitdagingen van de moderniteit is en blijft. Erwin JANS