Advertentie
Advertentie

Een wereld vol leven?

De samenstellers van de dikke Van Dale gaan er prat op dat ze hun jongste editie volstouwden met duizenden nieuwe woorden. Eén van die nieuwigheden is het lemma biodiversiteit. Maar met een miezerige uitleg als biologische verscheidenheid blijf je natuurlijk op je honger.Biodiversiteit is nochtans een begrip dat acht jaar geleden al ingang vond in ons courant taalgebruik, toen in Rio op de Wereldtop voor Milieu en Ontwikkeling in 1992 een verdrag over biodiversiteit ondertekend werd. Dat verdrag werd geconcretiseerd in de Agenda 21, die erover moet waken dat de algemene lijnen en doelstellingen ervan op het terrein kunnen gerealiseerd worden.Maar wat is nu zo belangrijk aan biodiversiteit dat er zelfs een heus verdrag voor moest opgesteld worden, een verdrag dat sindsdien al door tientallen landen, waaronder België, ondertekend werd?Hoeveel soorten organismen komen er voor in België? Als je die vraag aan een leek voorlegt, krijg je doorgaans getallen tussen 1 en 5 miljoen. Een soort, dat is bijvoorbeeld de mol, de bruine kikker, de bosanemoon, de blauwe glazenmaker (libel), de grote dikkaak (spin), de vliegenzwam, de huismus, de snoek, de mens.Het aantal soorten - de basis van biodiversiteit - is in werkelijkheid in België (ontgoochelend) laag: ongeveer 50.000. In ons land komen er dus (slechts) 50.000 verschillende soorten planten, zoogdieren, eencelligen, insecten, amfibieën, vissen, zwammen, borstelwormen, voor. Voor de hele wereld werden tot nog toe ongeveer 1.800.000 soorten beschreven. Het grootste deel ervan leeft in (sub)tropische streken. Daar is de biodiversiteit het grootst.In het qua natuur rijkste deel van Zuid-Afrika, de zuidelijke Kaapprovincie, groeien niet minder dan 6.200 plantensoorten. Dat is meer dan in noordelijk Azië (Aziatisch Rusland en zijn grensstaten, China niet inbegrepen), Noord-Amerika en Europa samen.Aangenomen wordt dat, ondanks alle studiewerk, tot nog toe slechts zon 20 tot 40 procent van alle organismen zou bekend en beschreven zijn.De jongste tien jaar werd een rist maatregelen genomen om soorten te beschermen. Rode lijsten, lijsten met soorten organismen die bedreigd worden, dienen in toenemende mate als basis voor plannen die ervoor moeten zorgen dat niet nog meer organismen verdwijnen, ook uit ons land. In de eerste plaats wordt er gepleit voor gebiedsbeschermende en soortbeschermende maatregelen. Dat wil zeggen dat men via bescherming van bepaalde - ecologisch interessante of zeldzame - gebieden en via aandacht voor specifieke kwetsbare soorten, wil trachten het tij te keren. Vaak valt daarbij de term standstill-principe. Het Decreet betreffende het Natuurbehoud en het Natuurlijk Milieu (Belgisch Staatsblad, januari 1998), dat er onder andere op gericht is de verdere achteruitgang van de natuur in Vlaanderen tegen te gaan, vertrekt van dat principe. Het beginsel zegt dat de natuur en het milieu op zijn minst niet nog verder mogen achteruit gaan, dat we dus minstens moeten behouden wat we nu nog hebben. In de praktijk zijn we zeker nog niet zo ver.Het principe houdt dan ook een echte trendbreuk in, die ingaat tegen vele honderden jaren van voortschrijdende verloedering van het natuurlijke milieu. Het zal dus nog even duren voor deze nieuwe manier van denken over natuur en milieu ingang vindt in alle hoofden. Toch is dat wat er moet gebeuren, willen we de wet naleven en ons schikken naar de internationale verdragen.Ook Europa wil via de realisatie van een groot natuurlijk netwerk (Natura 2000) in de EU bekomen dat de natuurwaarden niet verder achteruit gaan.Heeft biodiversiteit dan met economie te maken? Heel veel, zo niet alles. Van de 250.000 beschreven plantensoorten wordt bijvoorbeeld verondersteld dat ongeveer 10 procent echt eetbaar is (of zou zijn) voor de mens. Terwijl vandaag slechts drie soorten grassen (maïs, tarwe, rijst) ongeveer 50 procent van het wereldvoedselaanbod uitmaken, en niet meer dan 22 soorten organismen 90 procent van datzelfde wereldaanbod leveren.De mensheid kan er dus belang bij hebben om erover te waken dat zoveel mogelijk interessante soorten van leven, met eraan gekoppeld een veelvoud aan genen, bewaard blijven. Met de nieuwe technieken om voedsel te produceren en te verwerken, kan het wel eens nuttig zijn om het wilde aanbod zo intact mogelijk te houden, teneinde onze keuze uit nieuw materiaal niet hopeloos te beperken. En dan gaat het niet alleen om potentiële voedselbronnen, maar ook om allerlei stoffen die in organismen terug te vinden zijn.Heel wat grote bedrijven schuimen nu de tropische regenwouden af, op zoek naar origineel materiaal dat eventueel bruikbaar is voor allerlei onderzoek. Interessante genenpatronen die men kan ontrafelen uit dit nieuwe materiaal worden gepatenteerd, zodat voor een bepaalde tijd een alleenrecht bestaat om met de gevonden genen (of biochemische stoffen) te werken. Dat is een zeer lucratieve bezigheid. Men gaat er immers van uit dat binnen afzienbare tijd een groot deel (het grootste deel) van de biodiversiteit in bijvoorbeeld de regenwouden zal verdwijnen. En dus wil men nog snel zoveel mogelijk materiaal verzamelen, om nog gevarieerde genenbanken op te bouwen, en een rijk gamma aan biochemische stoffen.Ook Europa heeft dit begrepen. Heel wat experts hebben al voorgerekend dat het geld dat we nu dienen te besteden aan bescherming van soorten en leefgebieden, slechts een fractie is van wat het ons zou kosten als we nog meer origineel materiaal definitief verloren laten gaan. Herman DIERICKXEen volgende aflevering van deze maandelijkse column verschijnt begin februari.