Advertentie
Advertentie

Effect hoge olieprijs op chemie blijft beperkt

De stijgende prijs van olie, de grondstof voor de chemiesector, heeft een verkrappend effect op de marges. Maar zolang de economische groei niet lijdt onder de hoge olieprijs en de vraag naar chemische producten intact blijft, kunnen de gestegen grondstofprijzen doorgerekend worden naar de consumenten. Neemt de vraag af, dan zijn de vooruitzichten plots een stuk minder rooskleurig. Dit blijkt uit een rondvraag bij de belangrijkste chemieproducenten in Europa.De stijgende olieprijs treft de chemiebedrijven op twee niveaus. Vooreerst is er olie als energiebron. Gemiddeld mag men er vanuit gaan dat zon kleine 10 procent van de productiekosten in de chemiesector betrekking heeft op energie. De gevolgen van de stijgende olieprijs op deze kostprijs blijven evenwel beperkt. De meeste chemiebedrijven spreiden hun energiekosten over verschillende soorten energiebronnen. Bovendien werken ze met langetermijncontracten. En tot slot heeft de liberalisering van de elektriciteitsmarkt in sommige landen voor een spectaculaire daling van de rekeningen gezorgd.Naast de kosten voor olie als energiebron is er de kostprijs van olie als grondstof. Olie en zijn derivaat nafta is de belangrijkste grondstof voor de petrochemische industrie. Plastieken zoals pvc en polyethyleen vereisen de input van ethyleen, het resultaat van het krakingsproces van nafta. Daarnaast dienen tal van andere producten die voortvloeien uit het productieproces de tussenproducten als grondstof voor de specialiteiten- en fijnchemie (zie illustratie). De chemiebedrijven merken op dat de stijgende grondstofkosten van olie een element is waarmee zelfs op lange termijn te leven valt. Belangrijker voor de winstgevendheid is het effect van de hoge olieprijs op de globale economische groei. Blijft de groei stabiel op een redelijk niveau, dan zal ook de vraag van de consument hoog blijven. De stijging van de grondstoffenprijzen kan op dat moment makkelijk doorgerekend worden. BulkproducentenToch blijven weinig chemiebedrijven onverschillig voor bewegingen van de olieprijs. Hoe snel het bedrijf ermee geconfronteerd wordt, hangt af van zijn plaats in het chemisch productieproces. Hoe meer upstream en dus hoe dichter bij het basisproduct olie en nafta, hoe oliegevoeliger. Het meest upstream in het krakingsproces vinden we de bulkproducenten terug. Hier situeren de meeste producten zich in de petrochemische cyclus: ethyleen, propyleen en aromaten, met daarnaast hun plastiekderivaten zoals polypropyleen, polyethyleen en het bekendste: pvc. Daarnaast wordt doorgaans ook de basis anorganische chemie vertrekkend vanuit de elektrolyse in deze groep opgenomen. De belangrijkste Europese bulkproducten zijn BASF, DSM, Celanese en EVC. Het is ook in deze groep dat het eerste slachtoffer gevallen is. Vorige week maakte EVC een verwacht verlies voor de laatste twee kwartalen bekend. Door zijn beperkte diversificatie is deze pvc-producent extra gevoelig aan veranderingen in de olieprijs. EVC deelde mee dat de marktvraag voor pvc in het derde kwartaal licht afgenomen is, waardoor de verkoopprijs lager wordt geduwd. Daartegenover staat de grondstof ethyleen waarvan de prijs de stijgende curve van olie volgt. De verkoopsmarge smelt weg als sneeuw voor de zon. Het EVC-aandeel werd in één dag teruggewezen van 11,20 euro naar minder dan 5 euro, daarin geholpen door het bericht dat de discussies omtrent een overname van EVC door Vestolit op niets zijn uitgedraaid. Ook de andere groepen moeten toegeven dat de marges in plastiekactiviteiten onder druk staan. DSM voorziet een terugval van de marges in de afdeling polymeren (polyethyleen en polypropyleen), terwijl ook Celanese geconfronteerd wordt met dalende marges in een gelijkaardige productgroep. Beide bedrijven melden wel dat het om een tijdelijke verkrapping gaat. De gestegen grondstofprijs ethyleen zal zo spoedig mogelijk doorgerekend worden aan de klanten. Voor BASF als groep is de stijging van de olie niet zon probleem. Het bedrijf heeft het geluk gediversifieerd te zijn in de olie- en gassector. Per stijging met 1 dollar van de prijs voor een vat ruwe olie neemt het resultaat in deze activiteit met 50 miljoen euro toe. Een perfecte indekking. Voor het gehele jaar verwacht de gigant nog steeds een stijging van het resultaat met meer dan 10 procent ten opzichte van het jaar voordien. Specialty- en fijnchemie Hoe meer downstream in het chemische productieproces, hoe minder snel men in aanraking komt met de stijgende olieprijs. Wanneer we spreken over downstream, dan hebben we het over de specialty- en fijnchemie. In tegenstelling tot de bulkproducten worden hier meer gesofisticeerde producten geleverd in veel kleinere volumes. De marges zijn hoger en de verkoopprijzen een stuk minder volatiel. Voor de productie van fijnchemie zijn wel aanzienlijke investeringen en een hoge graad van specialisatie in kwalitatief hoogstaande fabrieken vereist. De meeste chemiebedrijven hebben tot op een bepaald niveau activiteiten in de specialtychemie. Meer specifiek op de specialtychemie gericht zijn Ciba Specialty Chemicals, ICI en Rhodia. In fijnchemie behoren Clariant na de overname van het Engelse BTP en DSM tot de marktleiders. Daarnaast zijn ook Bayer en Tessenderlo Chemie prominent aanwezig op deze markt. Wie meent dat de hogere graad aan specialisatie deze bedrijven volledig immuun maakt voor de stijgende olieprijs, komt bedrogen uit. Zoals voor de bulkproducten geldt ook hier dat het doorrekenen van de stijgende grondstofprijzen afhankelijk is van de gezondheid van de afzetmarkt. Bij de specialty- en fijnchemie komt daarbij dat vaak specifieke producten voor specifieke klanten worden geproduceerd. Dit impliceert individuele contracten waardoor wijzigingen in de verkoopprijs niet onmiddellijk doorgerekend kunnen worden. Het doorrekenen gebeurt hier vaak trager dan in de bulkindustrie. De marges daarentegen liggen een stuk hoger doorheen de cyclus. Rhodia deelde eind september mee dat het zijn winstdoelstellingen voor 2000 niet zal halen wegens de gestegen grondstofprijzen. Hoewel Rhodia zich meer en meer toespitst op de specialtychemie, blijft het met sommige activiteiten zeer gevoelig voor prijsschommelingen in de bulkproducten. Eind juli ging de groep nog uit van een stijging van het nettoresultaat met 10 procent. Nu spreekt Rhodia van een daling van zowel de bedrijfsmarge als van het nettoresultaat. Het kan dus snel gaan. De markt anticipeerde blijkbaar op nakende problemen. Sinds mei viel het aandeel geleidelijk terug van 21,6 euro tot nog nauwelijks 12 euro. Ook Clariant wist ons te vertellen dat de aanhoudend hogere grondstofprijzen voelbaar zijn in enkele afdelingen. De grootste stijging in grondstofkosten vinden we bij de groep terug in het product VAM (vinylacetaatmonomeer). VAM is de basisgrondstof voor de aanmaak van emulsies en enkele andere polyolefines. Vooral in de afdeling emulsies heeft dit een belangrijke druk op de marges tot gevolg, omdat de hele VAM-prijsstijging niet kan doorgerekend worden naar de klanten. Daarbij komt nog dat de verkoopprijzen slechts aangepast kunnen worden rekening houdend met een vertraging van 6 tot 12 maanden, aldus de woordvoerder van Clariant. Clariant rekent voor het gehele jaar op een belangrijke stijging van de verkopen en een iets lagere operationele marge, een gegeven dat reeds bij de bekendmaking van de halfjaarcijfers werd vrijgegeven. De daling van het nettoresultaat is toe te schrijven aan de eenmalige kosten verbonden aan de overname van BTP. Ook Clariant heeft dit jaar al heel wat veren verloren. Sinds zijn top van 781 Zwitserse frank van begin januari is het aandeel teruggevallen tot minder dan 500 Zwitserse frank. DiversificatieBij de overige chemieaandelen blijven de gevolgen van de hogere grondstofprijzen voorlopig beperkt. Ciba Specialty Chemicals bevestigde vorige week de operationele margedoelstelling van 16 à 17 procent misschien zelfs te kunnen overtreffen. Ook de woordvoerders van Solvay en Tessenderlo Chemie zien momenteel geen reden om hun winstverwachtingen neerwaarts bij te stellen. Hetzelfde bij Bayer. Hier wordt nog steeds een verdere toename van zowel de verkopen als van de operationele resultaten met 10 procent verwacht. De Duitse chemiereus haalt twee redenen aan. Vooreerst is zon 50 procent van de verkopen en 60 procent van de operationele resultaten afkomstig van twee activiteiten die geen negatieve invloed ondervinden van de olieprijs. Voor Bayer zijn dat gezondheidszorg en de landbouwactiviteiten. Deze redenering geldt eveneens voor enkele andere hybride chemiebedrijven zoals Akzo Nobel en Solvay. Om het cyclisch karakter van hun chemieactiviteiten te compenseren, investeerden zij de afgelopen jaren aanzienlijk in de uitbreiding van hun activiteiten in vooral de life science en farma. Als tweede reden wijst Bayer op het wisselkoersvoordeel ten opzichte van niet-EU-concurrenten. Enerzijds doet de sterke dollar de olierekening in euro nog sterker oplopen. Anderzijds lopen de verkopen en de winsten gemaakt in Noord-Amerika aardig op als gevolg van zwakke euro. En dit geldt niet enkel voor de eurobedrijven. Zo stegen de verkopen van het Zwitserse Ciba Specialty Chemicals voor het eerste halfjaar met 12 procent in Zwitserse franken. In lokale munt kwamen de verkopen slechts 5 procent hoger uit. In dit opzicht hebben de Amerikaanse chemische bedrijven het nog een stuk zwaarder te verduren. Denken we maar aan de winstwaarschuwingen van reuzen als Union Carbide en DuPont. Europese bedrijven met een grote blootstelling naar de Amerikaanse markt hebben dan ook bijkomende troeven om deze moeilijke periode van oplopende grondstofprijzen zonder kleerscheuren door te komen. De invloed op de verkoopsmarge als gevolg van de stijgende oliekosten is voornamelijk afhankelijk van de gezondheid van de afzetmarkt. Is de vraag naar het afgewerkt product hoog, dan zal de extra kostprijs makkelijk doorgerekend kunnen worden naar de klant. Het ergste wat er in dat geval kan gebeuren is een tijdelijke druk op de marges doordat de aanpassingen van de verkoopprijzen minder frequent doorgevoerd kunnen worden dan aanpassingen van de inputprijzen. Het belangrijkste gevaar van de hoge olieprijs situeert zich echter op macro-economisch gebied. Aanhoudend hoge olieprijzen verhogen het risico op inflatie. De Europese Centrale Bank zal er op dat moment als de kippen bij zijn om de rente te verhogen. Dit heeft op zijn beurt een dempend effect op de Europese groei. De vraag naar bepaalde producten neemt af en de verhoging van de verkoopprijs wordt een stuk minder evident. Op dat moment zal het aantal neerwaartse bijstellingen van winstvooruitzichten in de chemiesector niet beperkt blijven tot twee. Koen DE LEUS