Advertentie
Advertentie

Etnografie in een Parijse voorstad

In het Parijse Musée National des Arts et Traditions Populaires hangt in een vitrinekast het kostuum van een schaapherder met stelten aan de broek bevestigd. Hij gebruikte die stelten enerzijds om zijn voeten droog te houden, maar anderzijds ook om zijn kudde beter te kunnen overzien. Ongetwijfeld oncomfortabel, maar waarschijnlijk best nuttig. Dat kostuum is gemaakt van primitief samengebonden en genaaide stukken schapenvel, de krukken zijn ruwe stukken hout. Ergens uit de vroege middeleeuwen afkomstig, schat je. Dan bekijk je het informatiebordje: dit kostuum werd in het begin van de jaren zestig nog gebruikt. Frankrijk mag dan een moderne natie zijn, toch leefde een deel van de bevolking nog niet zo heel lang geleden zoals hun voorhouders zes of zeven eeuwen geleden.Misschien is dat op sommige plekken nog steeds zo. Een Parijse hoogleraar economie vertelde me onlangs dat nog steeds meer dan de helft van de bevolking in anciens francs rekent, meer dan drie decennia na de afschaffing ervan. Bizar land eigenlijk. Niet zozeer de aankleding en de ambachten van het verleden bewaart dit museum, als wel de nostalgie daarnaar. Naar eenvoudiger tijden, toen er nog een samenleving op lokaal niveau bestond, hoe bekrompen die ook was. Misschien is dit idee aan de hedendaagse Parijzenaars niet besteed: er is nauwelijks een ziel in dit museum, dat ook niet echt goed onderhouden wordt.Ten onrechte. Ondanks het schemerige interieur sommige uitstallingen zijn zelfs niet verlicht, maar dit gebeurt schijnbaar opzettelijk, om de toeschouwer duidelijk te maken dat de uitgestalde voorwerpen als het ware ontrukt werden aan hun natuurlijke omgeving ontdek je er een schat aan culturele verscheidenheid. Die verscheidenheid heeft weinig van doen met de moderne tijd: het is de verscheidenheid die dateert van voor de industriële revolutie, een traditionele verscheidenheid van gewesten, gehuchten, families en gewoonten. De opgang van de industrie vernietigde echter veel tradities, liet andere in afgelegen gebieden intact maar veroordeelde de gebruikers ervan tot sociale achterstand. Het accent van dit museum ligt dan ook voornamelijk op het plattelandsleven van het voorbije millennium, dat veel langer in zijn oorspronkelijke vorm intact bleef dan het stedelijke leven, en waarin traditie een sterke positieve maar soms ook negatieve kracht was.Tegelijk toont het museum alleen de buitenzijde: we weten hoe deze mensen leefden, wat ze aten, hoe ze aan voedsel, onderdak, warmte kwamen, hoe ze zich amuseerden. Maar we weten niet wat ze dachten, omdat zij voornamelijk een orale traditie hadden. De filosofen uit het verleden lieten ons door middel van hun geschriften hun gedachtenwereld na, deze van de boeren en buitenmensen kunnen we slechts onrechtstreeks, of dankzij enkele zeldzame opgetekende getuigenissen, invullen. We weten niet wat de schaapherder op zijn stelten dacht, maar hij dacht waarschijnlijk aan schapen en onweer en de naderende winter, veeleer dan dat hij zich bekommerde om filosofische principes.Elke beschaving, schreef de grote Franse etnoloog Levy-Strauss, manifesteert zich door middel van twee aspecten. Enerzijds bestaat zij in het universum. Anderzijds vormt ze een universum op zich, en dat betekent eerst en vooral dat ze gesitueerd wordt in ruimte en tijd, met haar wetten, gewoonten en hiërarchie. De natuurlijke cyclus van de mens, van geboorte tot dood, wordt voortdurend begeleid door sociale evenementen: doop, huwelijk, begrafenis. Deze worden gekenmerkt door rituelen en gewoonten, door de cultuur en de uitingen van de beschaving. Al deze vinden een plaats in dit museum: ceremonies, de nagedachtenis van de doden, de hoop van de levenden, de weinige momenten waarop het labeur opzij gezet werd voor vertier. Elk seizoen had zijn eigen hoogdagen, zijn eigen specifieke feesten. In een tijd dat er geen of alleszins weinig openbaar en nog veel minder privaat vertier was, werd er gefeest bij elke gelegenheid.Het museum werd in zijn oorspronkelijke vorm ontworpen in een heel andere tijd, in de donkere vooroorlogse jaren, en wel met de steun van de socialistische regering van Léon Blum. In 1937 om precies te zijn, door de etnograaf Georges Henri Rivière, die daarvoor de etnologische verzameling gebruikte die voordien in het Palais de Chaillot had berust. De huidige huisvesting, in het noorden van het Bois de Boulogne en vlak naast de mooie Jardin dAcclimatisation, ligt net op de grens van de Parijse voorstad Neuilly. Verbonden eraan is het Centre dEthnologie Française, waar een veertig onderzoekers werken aan de bewaring van de petite histoire van de gewone Franse voorouder.Het huidige museum is, in tegenstelling tot zijn onderwerp, op een prettige en toch lichtelijk verouderde manier modern: het werd in 1969 ontworpen door Michel Jausserand en Jean Dubuisson, bewonderaars van Walter Gropius en van Mies van der Rohe. Eigenlijk bestaat het museum uit twee delen: de kelderverdieping toont in vitrinekasten een grote hoeveelheid werktuigen en gebruiksvoorwerpen g uit plattelandsgemeenschappen, maar is doorgaans alleen toegankelijk voor wetenschappelijk onderzoek. Het eigenlijke museum op het gelijkvloers is bestemd voor een algemeen publiek.En dat publiek krijgt best waar voor zijn toegangsgeld. Door de sociale organisatie tonen mensen hoe zij zich aanpassen aan interne en externe, economische en sociale uitdagingen. Zij tonen ook hoe zij die aanpassing verwerken in de arbeid en het spel. Kermis, circus, muziek, kaartspelen, poppenspel,... de rijke traditie van het vermaak neemt een voorname en bijzonder kleurrijke plaats in het museum in: een kermisorgel met het opschrift Limonaire Frères, een verzameling muziekinstrumenten, kostuums van pierrots, draadpoppen uit een miniatuurtheater.Een etnologisch museum kan zich echter niet tevreden stellen met het tonen van voorwerpen uit het verleden. Deze objecten moeten leven in hun natuurlijke omgeving. En hier doen ze dat: zes specifieke ecologische eenheden zoals de directie die noemt herscheppen tot in het kleinste detail de binnenhuiswereld van de Franse voorouder: het atelier van een houtdraaier, een interieur van een hut uit Bretagne, een smidse uit de Queyras, een op het strand getrokken kleine vissersboot, en zelfs het bureau van een helderziende in de stijl van de jaren zeventig (eigenlijk een reconstructie van het kantoor van Belline, een bekende helderziende die haar consult hield aan het Parijse Place Blanche). Activiteiten die haast automatisch vereenzelvigd worden met Frankrijk krijgen bijzondere aandacht: de vervaardiging van kaas en wijn, waarvan de productiemethoden virtueel eeuwenlang onveranderd bleven.Vaak wordt de nadruk gelegd op de evolutie van ambachten en gebruiken. Hoe ruwe steen verwerkt wordt tot bruikbare onderdelen voor de bouw, hoe koren verandert in brood, hoe wol van het schaap verandert in kledij. De nuttigheid staat daarbij vooraan: vele alledaagse gebruiksvoorwerpen worden in hun ruwe vorm of hun uiteenlopende variëteiten getoond. Maar mensen die in staat zijn wat weelde te vergaren en niet elke dag moeten werken om te overleven zijn geneigd de goede dingen te leren waarderen. Juwelenkoffertjes weliswaar ruw uit hout gesneden duiden op kostbaar persoonlijk bezit, terwijl meubels met de stijging van de levensstandaard gaandeweg groter worden en pompeuzer. Riemen worden rijkelijk versierd, kantwerk versiert kledingstukken, keramiek en glaswerk vervangen het aardewerk in het dagelijkse gebruik.Ondanks de grote invloed van het christendom blijven magische rituele praktijken, gebaseerd op het geloof dat alle aspecten van het universum met elkaar verbonden zijn, tot in onze tijd levend. Maar beide, geloof en bijgeloof, bestaan naast elkaar, niet zelden met wederzijdse invloed. Geen land katholieker dan Frankrijk, en toch geen volk meer gehecht aan prechristelijke vormen van bijgeloof.Maar het museum doet meer dan de herinneringen aan vroeger in stand houden. Er is duidelijk een verband met de hedendaagse Franse samenleving. Eén van de essentiële rollen van het museum als onderzoekscentrum, zegt directeur Michel Colardelle, bestaat erin te luisteren naar onze tijdgenoten, en volgen welke aspecten van onze samenleving hen nu bezighouden, en die meningen interpreteren. We moeten ons daarbij vragen stellen over de rol van het collectieve geheugen en over het bewaren van het patrimonium, zoveel is zeker. Daarbij moet het werk van onze onderzoekers beschikbaar zijn voor een ander publiek dan de leden van de wetenschappelijke gemeenschap.De rol van de etnologie beperkt zich niet tot het verleden. Zeker niet. Wij onderzoeken de situatie van de hedendaagse jeugd, hun leefwereld in de banlieues waar ze zich op allerlei manieren uitgesloten voelen van de rest van de Franse gemeenschap, de sociale breuk die zo duidelijk in onze natie aanwezig is. Geen etnoloog kan daar blind voor blijven. Die ontworteling benaderen wij onder andere vanuit het standpunt van de cultuur, die zo hopen we kan dienen als een sociaal bindmiddel tussen verschillende gemeenschappen.Uiteindelijk toont het museum dat verandering tegelijk snel en traag verloopt. Sommige gebruiken die er getoond worden zijn duizenden jaren oud, en veranderden ondanks technologische vooruitgang niet. Klompen en houten wijnvaten kennen de Fransen al vele eeuwen, en ze gebruiken ze nog steeds, de invoering van kunststoffen ten spijt.Maar toch blijkt de industrialisatie een onontkoombaar fenomeen, dat de traditionele levenswijzen steeds verder naar de uithoeken van de samenleving wegdringt. Zo toont een kaart dat in 1850 nog zowat alle regios van het land over belangrijke wijngaarden en middelen van wijnproductie beschikten. Een andere kaart, uit 1974, toont de onverbiddelijke uitbreiding van wegen en spoorwegen, van industriële sites en van steden, en de inkrimping van de wijngaarden tot een derde van wat ze een eeuw ervoor waren.Een andere ontnuchtering: ondanks de ons al te bekende rijke Franse culinaire traditie blijkt dat het merendeel van de bevolking en we spreken tot aan de Tweede Wereldoorlog leefde op een dieet dat zowat uitsluitend uit graanproducten bestond: graanpap, brood en ruwe pannenkoeken. Vlees, groenten en fruit waren zeldzaam, en de boer die wijn aan tafel dronk, zelfs aan het eind van de negentiende eeuw en ondanks de wijngaarden, al evenzeer. Was er feest, dan werden de remmen losgegooid.En traditie betekende ook dat oude landbouw- en productiemethoden koppig behouden werden, ook al waren betere voorhanden. De Franse boer werkte tot in de negentiende eeuw nog met de sikkel in plaats van de veel efficiëntere zeis. Zelfs in 1931 waren er nog meer dan tienduizend water- en windmolens in gebruik, waarvan er nog aan het begin van de jaren zestig werkten. Traditie is een mooie zaak wanneer ze overgelaten wordt aan etnografen. GELMusée National des Arts et Traditions Populaires. 6, Avenue du Mahatma-Gandhi, 75016 Parijs. Metro: Sablons en dan een korte wandeling zuidwaarts tot aan het Bois de Boulogne. Open elke dag behalve dinsdag van 9u.45 tot 17u.15. Tel.: 0033-1/40.67.90.00.De bibliotheek en het documentatiecentrum zijn open van 13u.30 tot 17 uur van maandag tot vrijdag. Tel.: 0033-1/44.17.70.74.De bibliotheek bevat ongeveer95.000 boeken en duizenden andere documenten, waarvan vele teruggaan tot de 16de en 17de eeuw. Het fonds kan worden geraadpleegd op: http://dodge.upmf-grenoble.fr.8001Een tijdschrift, Ethnologie Française, verschijnt sinds 1971 trimestrieel bijde Presses Universitaires de France, http://www.culture.fr/sef