Europese inflatie baart zorgen

De Amerikaanse cijfers lijken aan te geven dat het ergste is vermeden. De leading indicator bleek verrassend te zijn gestegen met 0,80 procent, behoorlijk meer dan wat verwacht mocht worden. Uiteindelijk bleek de bouwnijverheid voor deze sprong de verantwoordelijkheid naar zich te halen. De goede weersomstandigheden in januari waren hier ongetwijfeld niet vreemd aan. Toch mag er van uit gegaan worden dat de Amerikaanse monetaire instanties doorgaan met hun renteverlagingspolitiek. Heel wat marktdeelnemers bijven speculeren op lagere korte rentes, tot 0,75 lager dan momenteel het geval is. Hierdoor zou de rente op de Fed-funds op 4,75 procent komen te staan. Dergelijke beweging wordt bovendien nog verwacht in het eerste kwartaal van dit jaar. De hier en daar opduikende betere cijfers zijn immers tekenen van stabilisatie, maar uiteindelijk geven fundamentele indicatoren als werkloosheid nog altijd een erg zwakke economie weer.Het eerste kwartaal van dit jaar geeft ongetwijfeld een negatieve economische groei te zien. Hoewel de korte rente verder dalingspotentieel vertoont, hoeft zich dit niet te vertalen in lagere lange rentes. De verwachtingen over een herstel zijn immers ingebouwd en uiteindelijk zouden de renteverlagingen eerder een steilere rentecurve met zich brengen. Lange rentes vertonen hierdoor eerder opwaarts dan neerwaarts potentieel.In Japan is het weer alle hens aan dek nu ook Standard and Poors de officiële rating verlaagde van AAA naar AA+. Moodys bracht zijn rating al terug op AA2. Hoewel de regering hier tamelijk boos op reageerde, kan niemand ontkennen dat de Japanse problematiek zeer reëel blijft. Zeker het einde van het fiscale jaar einde maart zou nog wat schokgolven kunnen veroorzaken. Het is immers zo dat de Japanse banken voor eens en altijd hun slechte leningen dit jaar moeten afschrijven, en reken maar dat er hier nog heel wat lijken in de kast liggen. Bovendien zal de aandelenportfolio van deze banken mark-to-market gebracht worden wat eveneens substantieel kapitaalverlies met zich mee zal brengen. Uiteindelijk zal dit de kapitaalbasis van deze financiële instellingen geen deugd doen. Hierdoor zit er voor hen waarschijnlijk niets anders op dan aan bijna 0 procent kort geld te lenen bij de Japanse centrale bank om investeringen aan te gaan in Japanse staatsleningen. Gevolg van dit alles is dat de Japanse lange rente nauwelijks stijgingspotentieel zal hebben, maar dat de Japanse risicopremie zich meer dan waarschijnlijk opnieuw gaat opdringen. Financiering vinden zal voor de Japanse bedrijven dan ook een duurder wordend gegeven blijken.De Turkse perikelen hebben de euro geen goed gedaan. De neerwaartse correctie lijkt dan ook normaal. Wat economische situatie betreft, zit de Europese centrale bank (ECB) in een moeilijk parket. De inflatie neemt toe en zelfs de Duitse inflatie lijkt eerder toe te nemen richting 2,6 procent, hoewel het doel nog altijd 2 procent blijft. Verklaringen zijn er natuurlijk te vinden in vertraagde doorrekeningen van de gestegen olieprijzen eind verleden jaar en de dollekoeiencrisis, die alternatieve voedingsmiddelen duurder maken. De groei is echter aan het vertragen in februari, en de ECB lijkt hiermee weinig manoeuvreerruimte over te houden om renteverlagingen door te voeren. In het Verenigd Koninkrijk vertraagt de groei eveneens, maar hier is er hoegenaamd geen inflatieprobleem, zodat verdere renteverlagingen verwacht mogen worden. De emissies blijven rustig maar zeker plaatsing vinden. Heel wat beleggers opteren echter voor kortlopende beleggingen, anticiperend op een spoedig herstellende economie. De uitgiftes met vlottende rente in VS-dollar konden een klassieke plaatsing vinden bij geldmarktfondsen. In continentaal Europa was er minder interesse voor de langere uitgifte voor de emissie voor Tokyo op tien jaar. De investeerders opteerden voor Bayerische Landesbank-beleggingen. De Europese Investeringsbank kon dan weer aanspreken in Zwitserland met haar driejarige uitgifte. De National Australia Bank bracht een kleine uitgifte in Nieuw-Zeelandse dollar. De korte looptijd en het leuke rendement konden hoofdzakelijk de kleine beleggers in de verleiding brengen. In het vastrenderende eurogedeelte zagen we in de lage landen belangstelling voor de uitgifte van Fortis op een intermediaire looptijd van zeven jaar. Deze mooie debiteur kon zowel de grotere als de kleinere investeerders aanspreken. Dexia ging wat verder op de curve geld zoeken, gedragen door de kleinere investeerders. Toyota zocht dan weer het kortere einde op met een lening van 100 miljoen euro die fungibel is met een bestaande emissie. Het totale uitgiftebedrag komt hiermee op 400 miljoen euro. Valancia kon voornamelijk in eigen land sant spelen. De andere Europese investeerders hielden zich eerder afzijdig.