Advertentie
Advertentie

Familietwisten en conservatief beleid reden Flandria en Superia in de vernieling

De opkomst, de gloriejaren en de neergang van de West-Vlaamse fietsenfabrikanten Flandria en Superia vormt een boeiend, leerrijk en kleurrijk hoofdstuk in de naoorlogse Vlaamse industriële geschiedenis. Onder meer omwille van de nauwe band met de grote namen uit de Belgische wielersport en de talrijke nevenintriges. Maar de verzameling en ontsluiting van bedrijfsarchieven is in ons land nog steeds een kaas met grote gaten en over de kronieken van Flandria-Superia moet het meeste nog geschreven worden.Het bankroet van het wereldbefaamde Flandria dat in mei 1981 nog 500 mensen tewerkstelde, was één van de meest opzienbare faillissementen uit de naoorlogse Belgische industriële geschiedenis. Ze betekende het einde van een industrieel epos dat startte in 1924 met de oprichting van de werkhuizen Gebroeders Claeys door vier broers, die van artisanale rijwielfabrikage (oorspronkelijk onder de merknaam De Westvlaamsche Leeuw) overstapten naar een volwaardige rijwielindustrie met als nieuw uitgangsbord de naam Flandria. De familie Claeys uit Zedelgem is de naam achter een industriële dynastie in metaalbewerking, die ook de basis vormde voor de ontwikkeling van New Holland Belgium (voorheen Claeyson) een wereldspeler op de markt van oogstmachines en van het beursgenoteerde Remi Claeys Aluminium. In 1957 leidde een hoog oplopend conflict tussen de twee resterende broers, Aimé en Remi Claeys, tot een breuk in de fietsenfabriek, die toen letterlijk door een muur in twee delen werden opgesplitst. Voortaan ging Aimé Claeys door onder de vlag van Flandria, terwijl buurman Remi een felle concurrentieslag begon met rijwielen onder de nieuw gecreëerde merknaam Superia.Uitgedragen door de topprestaties van Flandriens zoals Briek Schotte en later Freddy Maertens en Walter Godefroot, werd wielersponsor Flandria een toonaangevend product op de wereldmarkt van fietsen en later ook van bromfietsen. Ook Superia spande grote namen uit de Belgische wielersport voor zijn kar. Op het hoogtepunt, in het begin van de jaren zeventig, produceerde Flandria 450.000 fietsen, 110.000 bromfietsen, 100.000 verwarmingstoestellen en 350.000 grasmaaiers in vier fabrieken: Zedelgem en Zwevezele, het Noord-Franse Warneton en het Portugese Agueda. In die glorieperiode was de groep werkgever voor 2.500 mensen en de opening van een verkoopcentrum nabij de Empire State Building op Broadway moest de internationale ambities ondersteunen. De uitgebreide, complexe en vaak turbulente geschiedenis van het Flandria-concern werd recent voor het eerst gebundeld in de thesis van Isabel de Decker, waarmee zij vorig jaar finaliseerde als licentiaat in de geschiedenis aan de Gentse universiteit. Isabel de Decker worstelde zich door de stapels op diverse plaatsen verspreide en helaas nog onvolledige Flandria-archieven. Zij interviewde ook diverse oud-werknemers en managers van het bedrijf. In haar verhandeling Flandria: de leeuw van weleer wordt ook duidelijk gemaakt waarom de Vlaamse industriële reus ten onder ging. Verlamd door aanhoudende ruzies onder de familiale managers-aandeelhouders, reageerde het bedrijf niet krachtig op de verschuivingen in de markt van fietsen en bromfietsen, waardoor het met een log productieapparaat niet langer concurrentieel was op een steeds meer competitieve markt. OnstabiliteitIn een rapport uit juli 1980 (één jaar voor het faillissement), dat Isabel de Decker terugvond, omschreef adviesbureau IMBO de toestand als volgt: Intrinsiek zijn er in de onderneming geen redenen aanwezig om er het bijltje bij neer te leggen. De dramatische toestand is uitsluitend het gevolg van een groeiend wantrouwen, in eerste plaats van de kredietinstellingen, wegens voortdurende onstabiliteit aan de top en de vermenging van belangen tussen NV A. Claeys Flandria en de BVBA Flandria Immo-Rent, tussen bedrijf en privé-rekeningen, tussen moederbedrijf en verwante bedrijven. Het ging dus om de typische anomalieën die zoveel familiebedrijven ten gronde hebben gericht. Indien Flandria zijn management tijdig had geprofessionaliseerd en gedefamilialiseerd door bijvoorbeeld naar de beurs te trekken en met de zwakke delen van de productie sneller uit te wijken, dan was het concern wellicht op vandaag nog een Belgisch wereldbedrijf naar het model van Bekaert, Barco en Solvay. In augustus 1980 droeg de verdeelde familie Claeys het complete aandelenpakket van het noodlijdende bedrijf voor een symbolische frank over aan overheidsmaatschappij GIMV zonder dat zij evenwel decharge kregen voor haar bestuursdaden. De GIMV kon het tij niet keren en bereikte ook niet tijdig een overeenkomst met buurman Superia dat nochtans reeds enkele jaren in handen was van overheidsholding NIM. Negen maanden later legde de GIMV de boeken van Flandria neer.Merknaam uitgedoofdIn juli 1981 slaagde de GIMV erin om Superia (dat het overerfde van de NIM) en Flandria (de activa overgenomen uit het faillissement) opnieuw aan elkaar te binden. De historische scheidingsmuur die een kwarteeuw familietwist symboliseerde, kon weer afgebroken worden. De grandeur van weleer werd echter nooit meer bereikt. In 1986 werd de fietsenproductie van Superia-Flandria stopgezet en de merknaam verkocht aan Arizona, een firma opgezet door Paul Seynaeve (ex-verkoopsdirecteur van Superia) en fietsengroothandelaar Freddy Theunick. Die merknaam verwisselde daarna nog driemaal van eigenaar en het jongste spoor van de West-Vlaamse Leeuw onder de fietsen, leidt naar de Waalse speelgoedfabrikant Mosa Toys. De fietsenmerknaam Flandria is nu echter al een viertal jaar van de markt verdwenen, leren we van een fietshandelaar. De productie van grasmachines en convectoren werd (in twee stappen) vanaf 1989 voortgezet als dochter van het Zweedse concern Stiga. De Superia-radiatoren kwamen in 1990 via een managementbuy-out in handen van bedrijfsleider Fons Walder die ze vorig jaar weer doorverkocht aan de Amerikaanse groep Masco. Flandria en Superia blijven her en der voortleven als merknamen van kachels en radiatoren, in de contouren van de resterende fabrieksgebouwen in Zedelgem en in de herinnering van de talrijke personages voor wie Flandria en/of Superia een onuitwisbare rol speelde in hun leven en loopbaan. JVI