Geen Titel

F. Mendelssohn Athalia (opus 74) Das neue Orchester, Chorus Musicus Koln o.l.v. Christoph Spering Capriccio 67 068 Mendelssohns muziek is pas de laatste decennia, en dan nog maar gedeeltelijk, tot het repertoire doorgedrongen. Steeds meer laten opnames onbekende kanten van zijn oeuvre ontdekken. Naast de oratoria 'Paulus' of 'Elias' en de toneelmuziek voor Shakespeares 'Midsummer Night's Dream', laat Christoph Spering ons nu kennismaken met een integrale opname van de toneelmuziek die Mendelssohn componeerde voor Racines 'Athalia' in opdracht van het hof van Friedrich Wilhelm IV in Berlijn. Mendelssohn werkte eerst met de Franse tekst, wat tot een versie voor vrouwenkoor en orkest leidde. Voor deze opname werd echter de Duitse vertaling gebruikt die Mendelssohn op vraag van de koning maakte. In vergelijking met de eerste versie werden mannenstemmen aan het koor toegevoegd, maar ook melodisch, harmonisch en op het vlak van orkestratie werden er wijzigingen aangebracht. De adequate manier waarop Mendelssohn het koor dramatisch integreert, is in deze versie opmerkelijk. Chistoph Spering gebruikt bovendien een bewerking die na Mendelssohns dood ontstond, waarin de gesproken tussenteksten en dialogen tot een monoloog omgewerkt werden door de acteur-zanger Eduard Devriendt. Het Chorus Musicus Koln en de solisten Anna Korondi en Sabina Martin (sopranen), Ann Hallenberg (alt) en Barbara Ochs (contralto) brengen een uitvoering van 'Athalia' waarin de vroeg-romantische dramatiek die Mendelssohn zo treffend weet op te roepen, zeer goed tot uiting komt. (TE) Italiaanse vioolsonates Veracini, Locatelli, Masciti, Geminiani en Tartini Fabio Biondi (barokviool), Naddeo, Pinardi en Ciomei (basso continuo) Virgin/Veritas - 5 45562 2 Arcangelo Corelli is de centrale figuur van de Italiaanse vioolmuziek tijdens de tweede helft van de 17de eeuw. Zijn navolgers bestudeerden zijn werk grondig en gingen verder op de weg die hij ingeslagen was. De moderne solosonate met een stevig aandeel voor de virtuositeit verdrong steeds meer de triosonate. De violist Fabio Biondi speelt samen met continuospelers van zijn Europa Galante werken van 18de-eeuwse vioolcomponisten als Veracini, Locatelli, Geminiani en Tartini. Hoewel ze allen schatplichtig zijn aan Corelli, valt ook op dat hun werken op het vlak van schrijfwijze, expressiviteit en structurele opbouw bijzonder rijk en gevarieerd zijn. Zo houdt Tartini vast aan een vorm met een langzaam openingsdeel gevolgd door twee snelle delen terwijl bij zijn tijdgenoten snel-langzaam-snel de regel is. Meer Frans van inslag is het werk van de Napolitaan Michele Masciti, van wie Fabio Biondi een tiendelig divertissement opnam. Het werk is geinspireerd op Lafontaines 'Psyche'. In zijn elegante en expressieve stijl verklankt Masciti het verhaal met de viool en het basso continuo in de hoofdrollen. Fabio Biondi brengt op een overtuigende manier hulde aan een bijzonder getalenteerde generatie componisten van vioolmuziek. (TE) Rene Lacaille & Brozman 'Digdig'Riverboat Records/World Music Het vulkanische eiland La Reunion in de Indische Oceaan is vanuit musicologisch oogpunt een interessante plaats, als relatief naaste buur van Madagascar, met een geschiedenis van 300 jaar Franse kolonisatie en met een mix van afstammelingen van slaven uit Afrika, Madagascar, Indie en van Chinese en Arabische migranten. De accordeonist en gitarist Rene Lacaille heeft er zijn wortels. Met zijn groep Cameleon stortte hij zich tijdens de jaren 70 zowel op flamenco, salsa, rock, jazz of fusion om na een ontmoeting met zijn eilandgenoot Danyel Waro weer in de muziektraditie van La Reunion te duiken. Toen de Amerikaanse gitarist, etnomusicoloog en slidegitaarkenner Bob Brozman werd uitgenodigd om op een festival te spelen op het eiland, kon hij zich geen betere ontmoeting gedroomd hebben. Brozman is al jaren bezig om de muziek van verschillende eilanden zoals Okinawa en Hawai in kaart te brengen. De bijzondere microkosmos van het eiland werkte blijkbaar zeer inspirerend zodat Lacaille al na enkele maanden voor een week neerstreek in Brozmans studio in Californie. Beiden hadden daarvoor al samen met twee percussionisten nachtenlang op het eiland samengespeeld en die bijzondere mix van sega (invloeden van de Franse musette en zelfs jazz) en maloya (sterk Afrikaans getint zonder Europese invloeden) vond een definitieve weg op deze 'Digdig'. De typisch Creoolse percussie zorgt voor een solide ondergrond en Brozman leeft zich uit op allerlei Resophonic- en Hawaiaanse steelgitaren terwijl Lacaille quasi nonchalant maar met virtuositeit doorheen de songs laveert. Eind juli zijn deze heren live mee te maken op Sfinks, een concert om naar uit te kijken. (DF) Radiohead 'Hail to the Thief'EMI Vrijdag kunt u tijdens het STER-reclameblok op de Nederlandse televisie de videoclip bekijken van Radioheads nieuwe single 'There There'. Nadat Sean Penn een advertentiepagina kocht in The New York Times om zijn onvrede uit te drukken, doet EMI iets gelijkaardigs voor Radiohead. De agenda's zijn weliswaar verschillend, de bedoelingen lopen gelijk. De openingstrack van de nieuwe Radiohead begint dan ook met een niet mis te verstane toespeling op de 'gestolen' verkiezingsoverwinning van Bush Jr.: 'January has April's showers / And two & two always makes up five.' De soundtrack bij deze postmoderne wiskunde begint met elektronische noise en ruis, die op hun beurt gecounterd wordt door een gevleugelde gitaarrif en een repetitieve drumbeat. Thom Yorke balanceert vervolgens maniakaal tussen digitale computers en organische instrumenten. Zij voeren op dit album de echte strijd, en in tegenstelling tot de nog experimentelere voorgangers 'Kid A' en 'Amnesiac' haalt de menselijke factor meermaals de bovenhand. Toch is 'Hail to the Thief' lang geen 'OK Computer'. Radiohead manipuleert liever dan het recycleert. Wanneer we op track vier zijn aanbeland, blijkt dat 'all evidence has been buried' en 'all tapes have been erased'. Thom Yorkes stem is de enige constante in deze neurotische elektronische brij. Hoewel er af en toe best aanstekelijke melodieen doorklinken, heeft 'Hail to the Thief' iets samenzweerderigs. Vaak hebben de tracks hypnotiserende nevenwerkingen. Zoals op het onheilspellende 'We Suck Young Blood', een protestsong over het uitzuigeffect van Hollywood. 'The Gloaming' klinkt met zijn pulserende scatterbeats bezwerend, een beetje in de traditie van het repetitieve 'Everything In Its Right Place' ('Kid A'). Ook het op een aanstekelijke baslijn groovende 'Where I End and You Begin' bedwelmt en is een geheide single. 'Myxomatosis' rockt met zijn vervormde gitaren en hoekige ritme een eind weg, maar beklemt minder. De tragere songs, en dan doelen we vooral op pianoballades als 'Sail to the Moon' en 'I Will', brengen verpozing. Al is ook dat relatief, want Yorke prevelt nergens zomaar wat. Zijn ijle kreten geven de verminkte, vol complexen gestouwde songs ademruimte. Radiohead blijft zo ook op 'Hail to the Thief' zijn missie trouw en sticht op een meesterlijke manier verwarring. (TPe) Grandaddy 'Sumday'V2 Grandaddy heeft, in tegenstelling tot pakweg Pavement, nooit gepoogd het favoriete high-schoolbandje te zijn. De band wilde, hun working-classachtergrond indachtig, niet te eclectisch worden. Na hun debuut 'A Pretty Mess By This One Band' (1995), na het doorbraakalbum 'Under the Western Freeway' (1999) en zelfs na de ambitieuze songcyclus 'The Sophtware Slump' (2000) behielden ze een low profile. Dat komt hen op 'Sumday' goed van pas. De twaalf tracks tellende langspeler keert na een futuristisch avontuur terug naar de bron: door vaklui in elkaar getimmerde liedjes, dit keer voorzien van een psychedelisch randje. In vergelijking met de voorganger wordt er niet in de toekomst gekeken, maar teruggeblikt. Dacht je tijdens het beluisteren van 'The Sophtware Slump' nog in een ruimteschip te zitten, dan nemen opperbard Jason Lytle en co je nu mee naar de groene natuur. Letterlijk zelfs, zoals op het 21ste-eeuwse sprookje 'The Group Who Couldn't Say' blijkt. Een groep flink verdienende vertegenwoordigers krijgt er 'as some kind of prize the perfection of an outdoor day'. De bosrijke omgeving werkt louterend. Ook voor Grandaddy zelf. De groep, die ooit ontdekt werd door Howe Gelb, focust op de klassieke popsong. De nieuwe nummers grijpen je niet meteen naar de keel, zoals op de meer bevlogen en experimentele voorganger. Maar het dromerige, speelse, semi-naieve cachet waarmee de bandleden hun composities vastklinken is te vertederend om links te laten liggen. (TPe) Tower Of Power 'Oakland Zone'SPV/Zomba Elton John, Santana, Aerosmith, Smokey Robinson of Dionne Warwick, ooit hebben ze allemaal een beroep gedaan op de messcherpe en haarfijne begeleiding van Tower Of Power, een band die soul eet en drinkt en dat al dertig jaar. Bandleider Emilio Castillo omschrijft hun muziek als 'urban soul music' en wie enigszins vertrouwd is met hun verleden, weet dat ze op een overtuigende manier soul linken aan rock, funk en jazz. Op deze 'Oakland Zone' krijgen ze zelfs een dankwoord mee van Jerry Brown, de burgervader van het Californische Oakland dat voor Tower Of Power blijkbaar steeds weer opnieuw creatieve inspiratie kan leveren. Op het menu staat niets verrassend - de 'groove' is nog steeds hun 'move' -, maar de soul die ze brengen heeft nog steeds de geest en de frisheid van de begindagen in zich. Ook de terugkeer van hun originele drummer David Garibaldi komt de drive van deze cd alleen maar ten goede. Getuige songs zoals 'Give Me Your Love', 'Get What You Want' of 'This Type Of Funk' bieden de blazers een uistekende achtergrond voor de soulstem van Larry Braggs. Hij debuteert op deze 'Oakland Zone', maar hij klinkt alsof hij al jaren met de band optrekt. Wie zich kan vinden in het werk van bijvoorbeeld Maceo Parker, Fred Wesley, Candy Dulfer of Prince in zijn funkhoofddagen, zit met deze release gebeiteld. (DF) Lieven Tavernier 'Ilja'Eigen beheer Nummers als het onsterfelijke Gentse stadslied 'De fanfare van honger en dorst', 'De eerste sneeuw' en 'De verdwenen karavaan' stonden in 1991 op de uitstekende cd 'Hehe' van Jan De Wilde. Slechts weinigen wisten dat ze van de hand van Lieven Tavernier waren, een van Vlaanderens best bewaarde geheimen. De man schuwt de schijnwerpers en liet pas echt van zich horen in 1995 toen hij debuteerde met 'Doe het licht'. Ondanks de prima kwaliteiten van die plaat bleef Tavernier toch relatief onbekend, pas acht jaren later doet hij opnieuw een stap naar voor met 'Ilja', elf mooie songs verpakt in amper 38 minuten. De rustieke schoonheid van de hoes reflecteert zich meteen in de songs: Tavernier houdt niet van bombast of van grote woorden, zijn kracht zit in de manier waarop hij zijn sobere maar efficiente poezie de juiste akkoorden meegeeft. 'Albert-Willem' of 'Honderd jaar eenzaamheid' hebben genoeg aan enkele regels en na de treinreis van het fraai gearrangeerde 'Jeanine' krijgt de dagelijkse NMBS-routine voor de pendelaar een nieuwe inhoud. 'De deken' stoelt op een secuur pianospel van Raymond en de stem van Kathleen Vandenhoudt. En 'De klokken van Sint-Baafs' is ontroerend in zijn jeugdmijmeringen. Met de hulp van muzikanten uit onder meer Olla Vogala, The Pink Flowers, Derek en Vis en Perry Rose neemt 'Ilja' een onverwacht sterke positie in een steeds vlakker wordend muzieklandschap in. Meer info op www.lieventavernier.be. (DF) Tujiko Noriko 'From Tokyo To Naiagara'Tomlab/ Aim Records Tujiko Noriko breekt langzaam door naar een ruimer publiek. Die bekendheid verdient ze dubbel en dwars: de Japanse doe-het-zelfster ontwikkelde in enkele jaren tijd een geheel eigen popstijl die op haar vierde album 'From Tokyo To Naiagara' tot volle schoonheid open bloeit. Hoewel Noriko al bijzonder aardige werkstukken afleverde, leden haar eerste twee albums aan enig japonisme: ze verkocht zichzelf als een glimmend, speels en naief exotisch snoepje. De voorgaande langspeler 'Hard Ni Sasete/ Make Me Hard' klonk zelfzekerder, al roken de nummers soms te sterk naar het werk van Bjork. Op 'From Tokyo To Naiagara' domineert haar eigen signatuur, die ze in de eerste plaats in haar stemgebruik vindt. Zo hebben haar popsongs een atypische structuur: de refreinen steken nauwelijks af in het geheel en bestaan meestal uit zinnen die ze smekend herhaalt. Pathos overheerst: krullerige, slingerende zangpatronen die ietwat doen denken aan traditionele Japanse theatermuziek. In de tweede plaats onderscheiden de uitgekiende elektronische composities van 'From Tokyo To Naiagara' zich met brio van de grote groep slaapkamercomponisten waar Tujiko Noriko ook deel van uitmaakte. Het geluidslandschap dat de Japanse schetst, zit - nog meer dan voorheen - vol hoogtes en laagtes, creeert een diepte vol sterke contrasten en barst van de onverwachte wendingen. Zo duiken in sommige tracks tegendraadse stemecho's op, elders durft Noriko de overheersende lieflijkheid met een plotse knars verstoren. Als geheel is 'From Tokyo To Naiagara' een complex, ontroerend, prikkelend en oervrouwelijk album dat bij elke luisterbeurt meer verbaast. Kortweg: een van de knapste en origineelste popwerkstukken die we de laatste jaren door de luidsprekers joegen. Mis Tujiko Noriko niet op Pukkelpop. (IS) Chlorgeschlecht 'Unyoga'Deco/ Mego/ Lowlands Sinds een vijftal jaren zijn de Duitsers Johannes Malfatti en Alex Kloster en de Fransman Olivier Alary actief in een rist van uiteenlopende anarchistische elektronische punkacts waaronder het bijwijlen hilarische Transformer Di Roboter, een band die zich specialiseert in wansmakelijke covers van pop- en metalnummers. In 1999 richtte het drietal in San Francisco Chlorgeschlecht op, waarin ze hun meest dadaistische gedachtekronkels de vrije loop lieten. Na een verhuizing naar Londen vond Chlorgeschlecht via kleinschalige maar veelbesproken concerten in Europa een eigen geluid. Ten dele aanleunend bij het versplinterde universum van Frank Zappa, kiest dit drietal uitsluitend voor de pastiche, de chaos, het cerebrale en de ironie. In hun muziek worden structuur en melodie van de hand gewezen. Op 'Unyoga' dienen noisy samples van (semi-)bekende hard- en grindcorebands als grondlaag voor tegendraadse potjes krijsen, boeren, knorren, grommen, hijgen en giechelen. Chlorgeschlecht gaat in de eindfase volledig digitaal te werk en dat zorgt voor markant geklieder. Zo lijken sommige van de 22, vaak rond de een minuut zwevende nummers te haperen. Niets van dat: de groep vaagt graag bruutweg stukken uit de nummers, als een mislukte vorm van clicks & cuts. Wie deze korte plaat in een ruk wil uitluisteren, moet over sterke zenuwen beschikken: het schokkerige 'Unyoga' slingert voortdurend tussen stilte en digitale spasmen. Onlangs verhuisden Malfatti en Kloster naar hun geboorteland om zich in de hoofdstad Berlijn te vestigen, terwijl Alary zich in Montreal nestelde. Voorlopig betekent dit het einde van de band als trio. Benieuwd hoe lang het duo Chlorgeschlecht dit soort ongemakkelijke grollen spannend kan houden. (IS) Samenstelling: Tom EELEN, Dirk FRYNS, Tom PEETERS, Ive STEVENHEYDENS