Advertentie
Advertentie

Gelieve aan te raken

Voor de belangrijkste stek op de expositie De Weg naar de Hemel, deels in Utrecht en deels in Amsterdam, hoef je niet eens een ticket te kopen. Enkel in de museumshop mag de geëtaleerde waar aangeraakt worden. Daar vind je wellicht ook iets om mee te nemen naar huis. Een vrolijk knipogende postkaart, een plastic pillendoosje in de vorm van een miniatuurbijbeltje, een kaars met fantastische opdruk, of een retroreliekje in fel gekleurd gips: de adoratie kan vele vormen aannemen.Is het aanbidden van relikwieën een overblijfsel uit vergane tijden? De meeste moslims geloven alvast van niet. Vorig weekend was voor hen weer het hoogtepunt van de jaarlijkse Hajj, de heilige bedevaart naar de zwarte Kaaba in Mekka, een inspanning die elke moslim minstens eenmaal in zijn leven moet ondernemen. In Amsterdam kwamen al stromen bezoekers naar De Nieuwe Kerk voor de expositie De Weg naar de Hemel. Vele duizenden kijklustigen bevestigen dat minuscule lichaamsdeeltjes of materiële overblijfselen van kerkelijke heiligen nog altijd een belangrijke aantrekkingskracht uitoefenen, ook in het toch overwegend calvinistische noorden. Of is dit juist het zoveelste stadium in een proces van sluipende profanatie? Is het niet vooral de glitter en de praal van de omhulsels, de vaak magnifieke, uit goud en edelstenen vervaardigde reliekhouders die de aandacht van de geseculariseerde museumgast prikkelen? New age voor nieuwe rijken? Relieken stonden in de Middeleeuwen voor een bijzondere rijkdom. Ze gaven prestige en legitimiteit. Zonder reliek kon het hoofdaltaar niet worden gewijd en kon de kerk dus geen kerk zijn. Het contact, de nabijheid van een stukje heilige, hoe klein ook, was niet alleen een kwestie van bewijsmateriaal. Het werkte vooral als een magneet op de gelovigen, die hoopten dat met het aanraken of zelfs gedeeltelijk meenemen van een relikwie de heiligheid kon overgaan op henzelf. Heiligenverering was lange tijd zonder meer synoniem met reliekenverering. Zonder lichaamsresten geen heilige. Weliswaar deden de middeleeuwse heiligen soms wonderen tijdens hun leven, maar verreweg de meest miraculeuze fenomenen vonden plaats na hun dood, als antwoord op gebeden bij het graf of bij de relieken. Vandaar dat bedevaarttoerisme. Er werd onderscheid gemaakt tussen primaire en secundaire relieken. Stoffelijke resten zoals haar, nagels, tanden, stukjes bot, tot zelfs de (veronderstelde) navelstreng of voorhuid van Christus werden als primaire relieken bijzonder duur verkocht. Ook het heilige bloed van Thomas van Canterbury werd, aangelengd met water, in ampullen verhandeld. Tot vandaag verstrekken Nederlandse karmelietessen pilletjes tegen onvruchtbaarheid. Die zijn gedrenkt in olie uit het lichaam van Maria Margaretha der Engelen, de heilige non van Oirschot, uit wiens in 1658 overleden lichaam wonderdadige olie blijft komen. Aarde uit de graven van prominente heiligen, stukjes van hun kleding of van hun attributen (het kruis op Golgotha bijvoorbeeld) golden als secundaire, maar daarom niet minder aantrekkelijke relieken. Frederik de Wijze bezat een collectie van 18.740 relieken, omgerekend betekende dat genoeg aflaten voor 902.202 jaar en 207 dagen. Blijkbaar was deze man, nota bene de beschermheer van Luther, niet zo zeker van zijn zieleheil. Dergelijke collecties, in handen van particulieren of in kerken, kunnen beschouwd worden als de eerste musea. De beste vaklui (het begrip kunstenaar was nog niet zo van tel) werden ingeschakeld om schrijnen en reliekhouders te vervaardigen en zo uiterlijke glans te verschaffen aan deze kostbare souvenirs. Die duurzame verpakking kon in de vorm zijn van een doos, een glazen omhulsel, een beeld, een schilderij, een hoofd of een ander lichaamsdeel. De vorm werd vaak representatief gemaakt voor de te bewaren lichamelijke restanten. De mise-en-scène van de nietige stukjes heiligheid werd verder uitgebreid over de hele kerk. Soms moesten zelfs aanpassingswerken gebeuren om de stroom bedevaartgangers beter op te vangen.De Nieuwe Kerk in Amsterdam werd al vele jaren geleden omgetoverd van een cultusruimte voor christenen tot een expositieruimte voor religieus geïnspireerde kunst. De Weg naar de Hemel stuurt de bezoeker ook in de richting van het Museum Catherijneconvent in Utrecht. Daar wordt een beeld opgehangen van de plaats van de reliekverering in de (Nederlandse) samenleving, terwijl in Amsterdam minder de sociale, dan wel de materiële, artistieke tot zelfs antropologische context wordt benadrukt. Vormgever Wim Crouwel zorgde voor de gepaste aankleding, met veel mysterieus groen en blauw licht dat de fonkelende objecten nog meer kostbaarheid doet uitstralen.Het was de bedoeling de relieken niet enkel als esthetische objecten te etaleren, maar vooral hun geladen schoonheid te benadrukken, hun betekeniswaarde als gebruiksobject. De reliekverering in de Middeleeuwen zou veel over onze huidige verhouding tot kunst en contemplatie kunnen vertellen. De catalogus opent met: Het bewaren van materiële herinneringen aan een dierbare overledene is van alle tijden, evenals de wens om op deze wijze deel te hebben aan de uitstraling van een vorst, een held, een heilige of een sportidool. In de religie heeft dit geleid tot reliekverering, niet slechts in het christendom maar ook, en al eerder, in het boeddhisme en andere godsdiensten. De bezorgdheid om niet in westers-culturele, nostalgische navelstaarderij te vervallen, is wel erg duidelijk in deze tentoonstelling. Een installatie van Christian Boltanski (El Caso, 1988, een voorspelbare combinatie van fotos, blikken, lampen, houten stellingkasten en linnengoed) is evenwel een behoorlijk pover en allesbehalve origineel argument om de vergelijking met de hedendaagse kunstpraktijk te forceren. Iets uitgebreider, maar nog altijd in de positie van een bijkomstig referentiepunt, komt de reliekverering uit Papoea-Nieuw-Guinea aan bod. Deze exotische stukken, met vooral enkele spectaculaire schedelhouders als blikvanger, worden overigens netjes afzonderlijk getoond, letterlijk gemarginaliseerd in de zijbeuken van het expositieparcours. Helemaal achteraan in de catalogus bengelt het hoofdstuk over de boeddhistische reliekverering (blijkbaar al begonnen in de tweede eeuw voor Christus). De postmoderne mens heeft een brede interesse, stelt samensteller Henk van Os in zijn inleiding. Men wendt zich niet langer vol afgrijzen en onbegrip af van de emotionele en irrationele kanten van de godsdienst. Van Os begon als professor kunstgeschiedenis in Groningen, werd directeur van het Amsterdamse Rijksmuseum en is nu hoogleraar Kunst en Samenleving aan de Universiteit van Amsterdam. Bekend vanwege zijn kunstpraatjes op de Nederlandse televisie, staat Van Os niet meteen aangeschreven als een Nederlandse Jan Hoet, al probeert hij - zij het op een veel bezadigder manier - de hedendaagse kunst bij een zo breed mogelijk publiek te slijten. Maak van uw bezoek een pelgrimage, nodigt de brochure uit die alle praktische informatie bevat over De Weg naar de Hemel. In de Middeleeuwen wilden gelovigen vlakbij relieken komen en daarvoor ondernamen ze een pelgrimage. In samenwerking met de Nederlandse Spoorwegen en de AVRO is een arrangement samengesteld waardoor uw treinreis tussen Utrecht en Amsterdam een bijzondere ervaring wordt. Op uw reis krijgt u een audioapparaat mee zodat u in de trein kunt luisteren naar het fascinerende verhaal over pelgrimages in de Middeleeuwen, verteld door Henk van Os. Voorts ontvangt u een NS-voordeelbon waarmee u op de dag van uw pelgrimage 40 procent korting krijgt op uw treinreizen na 9 uur. Daarnaast ontvangt elke pelgrim een mooi aandenken!Zo wordt de bezoeker enig fysiek houvast aangeboden, en krijgt die ook nog iets om mee te nemen naar huis. Het museumbezoek als plaatsvervangend ritueel in een geseculariseerde cultuur, kan het nog explicieter? Wellicht lezen de fervente bewonderaars van de tentoonstelling pas thuis de laatste regels van de catalogus: Reliekverering is vandaag de dag in de westerse wereld pas echt aan inflatie onderhevig. Terwijl men hier steeds minder belang hecht aan traditionele religies, ontwikkelen zich tegelijk excessieve cultussen rond aardse figuren als Elvis Presley, John Kennedy, Princess Diana en hun relieken. Naar aanleiding van deze expositie schreef Bas Heijne in het NRC een beschouwing met als titel De zakdoek van Madonna relikwieën in het internettijdperk. Daarin is vooral sprake van een sigarettenkoker, die ooit het eigendom moet geweest zijn van Robert Donat, een engelse acteur die in Hitchcocks The 39 Steps speelde. Heijne mijmert met veel gevoel voor de tijdsgeest over de behoefte aan een koninkrijk van de verbeelding en hoe we dat nu zelf moeten tot stand brengen, omdat er geen grote verhalen meer gelden zoals in de Middeleeuwen. Maar hij onderschrijft wel de behoefte aan betekenis die kan ontstaan door het directe contact met geladen schoonheid.Ook Willem Frijhoff, van wie het boekje Heiligen, Idolen, Iconen te koop ligt in De Nieuwe Kerk, denkt volgens dezelfde interactieve logica: het is in de manier waarop we heiligen aanbidden, waarop we naar idolen opkijken of iconen beschouwen dat ze hun betekenis ontvouwen. Zonder aanbidders geen cultus. In zijn historisch overzicht van westerse adoratiepraktijken (van Jeanne dArc tot Leonardo di Caprio) maakt hij een semantisch onderscheid tussen deze drie categorieën, maar onderstreept vooral hun overlappende betekenis. Ze vormen iconen van deugdzaamheid, zelfverloochening, durf, moed, volharding en vernuft. Hen navolgen, betekent het behoud van de normen en waarden van de gemeenschap. Dat de secularisering niet noodzakelijk het einde van de relikwieënverering hoeft te betekenen, illustreert Frijhoff met het feit dat meteen na de Franse Revolutie een nieuwe vorm van idolenverering de heiligencultus verving. Precies Lenin, die actief lid was van een antireliekencommissie, werd na zijn dood zelf gebalsemd (tot tweemaal toe zelfs, de eerste keer mislukte het) opdat zijn lichaam geconsacreerd zou kunnen worden in een mausoleum, net zoals de onvergankelijke lijken van zovele christelijke heiligen voor hem. Al zijn er nog altijd beeldenstormers actief die elke fysieke, lichamelijke verwijzing naar het goddelijke blasfemisch vinden, denk maar aan de Taliban in Afghanistan, het blijkt een vrij universele behoefte om daadwerkelijk voeling te houden met stichtende of tenminste lichtende voorbeelden uit het verleden. En wat als de DNA-specialisten zich op die sacrale overblijfselen storten, en concluderen dat er een reproduceerbare genetische code spreekt uit die heiligenlichamen? Staat ons straks dan toch nog een religieus reveil te wachten? ECNog tot 22 april in De Nieuwe Kerk op de Dam in Amsterdam en het Museum Catherijneconvent in Utrecht. Catalogus: 50 gulden. Het boekje Heiligen, Idolen, Iconen van Willem Frijhoff(Sun uitgeverij) kost 25 gulden. Inlichtingen: 0031-20/638.69.09 of www.dewegnaardehemel.nl