Genk is industrieel centrum en toch nog groen

GENK is uit de financiële problemen, de klap van de mijnsluiting is er goed verwerkt. De industrieterreinen Genk-Zuid en Genk-Noord zetten nu meer dan 30.000 mensen aan het werk in een goede 315 ondernemingen. Genk, met toch maar 61.362 inwoners, is daarmee in Limburg het ekonomisch en industrieel centrum nummer één geworden. Toch heeft men daarvoor niet alles opgeofferd. De gemeente bleef groen. De vestigingsvoorwaarden voor de bedrijven op de industrieterreinen vallen binnen de wettelijk vastgelegde normen, maar de Milieudienst van de gemeente heeft wel altijd erg kort op de bal gespeeld bij eventuele overtredingen. "Tot 1960', vertelt burgemeester Jef Gabriels, "zorgde de mijn hier nog voor 92% van de totale tewerkstelling. Maar toen al dacht de overheid aan andere aktiviteiten. Voordien zelfs al. De steenkoolmijnen lagen in het noorden en het westen, het gemeentebestuur zocht doelbewust naar een industrieterrein in het zuiden. Dat werd Genk-Zuid. In 1950 hadden we al ons eerste Algemeen Plan van Aanleg, nog vóór de nationale wet op stedebouw en ruimtelijke ordening tot stand kwam - die dateert van 1962. Onze eerste BPA's dateren van 1961 en 1962. Reeds in de jaren '60 werden bepaalde bestemmingen gegeven aan het latere Genk-Zuid, de nijverheidszone langs het Albertkanaal. In 1964 vestigde Ford zich op het industrieterrein Genk-Zuid. Ford telt nu 13.000 werknemers en rekruteert weer volop voor 1.400 nieuwe banen, voor de bouw van een nieuwe "wereldwagen'. Gelijktijdig met Genk-Zuid ontstond ook het kleinere Genk-Noord, rond de vroegere mijnterreinen.'