Heropgestart, en wat dan?

(tijd) - Een goede brandverzekering is noodzakelijk maar niet voldoende. Vooral de onderbreking in de leveringen aan klanten kan op iets langere termijn behoorlijk parten spelen. Veel verhalen van bedrijfsbranden hebben gemeen dat alles op alles werd gezet om de klanten te bedienen. IJsboerke vervoerde zo snel mogelijk weer ijs, dat een bevriende Duitse firma leverde. Ontex trok met zijn werknemers naar zijn buitenlandse vestigingen, waar nachtdiensten werden gedraaid om de capaciteit op peil te houden. Tony Mertens opende na de brand in het winkelpark aan de A12 vlakbij een noodwinkel. Cijfers over hoeveel bedrijven alsnog ten onder gaan, zijn er nauwelijks. Er wordt geen overzicht bijgehouden van de dieperliggende oorzaak van faillissementen. En voor de verzekeraars is het dossier na de uitbetaling gesloten. Peter Wiels, woordvoerder van de verzekeraarskoepel Assuralia, weet wel dat de brand bij Oliefabriek Lichtervelde met een geraamde schade van 12 miljoen euro de op twee na grootste van dit jaar is, na die van Clarebout Potatoes in Heuvelland (35 miljoen euro) en die bij de koekjesfabrikant Destrooper in Lo (15 miljoen euro). '2005 wordt een zwaar jaar. We zitten nu al aan het verzamelde schadebedrag van heel 2004', zegt Wiels. 'Het schommelt sterk van jaar tot jaar, tussen 100 en 200 miljoen euro. De gemiddelde schade-uitkering beliep vorig jaar ruim 12.000 euro, in 2002 was dat 9.200 euro en in 2003 10.800 euro.' Wat de stijging verklaart, is onduidelijk. Er is zeker een trend naar hogere vrijstellingen om de stijging van de premies sinds 11 september 2001 te compenseren. Door overnames en fusies in veel sectoren zouden er ook minder kleine bedrijfjes zijn die voor veel kleine schadegevallen tekenden. Steven Van Keer, verantwoordelijke risicomanagement bij AON, verwijst naar een Engelse studie. 'Daar bleek dat zowat 30 procent van de getroffen bedrijven niet heropbouwt. Van wie wel herbegint, gaat 29 procent binnen 24 maanden toch failliet. In de Verenigde Staten is dat zelfs 43 procent.' Voor Van Keer een reden te meer om te pleiten voor continuïteitsmanagement: preventief de vraag stellen hoe een stilstand van de productie zo snel mogelijk kan worden opgevangen. Want commerciële schade, het verlies van klanten en markt, is zeer moeilijk te verzekeren. Overigens krijgt wie niet heropbouwt, slechts een deel van de schadevergoeding uitbetaald, meestal zowat 60 procent. Het is vaak moeilijk te zeggen of het faillissement ten volle aan de brand toe te schrijven is, werpen de waarnemers op. Wie al niet goed boerde, heeft nauwelijks marge om een calamiteit op te vangen. Jan Vanderhoeght, vennoot van BDO Atrio Bedrijfsrevisoren, noemt het 'zeker geen uitzondering' dat bedrijven na een brand, machinebreuk of andere grote schade failliet gaan. 'Wat ze claimen in het kader van de bedrijfsschadeverzekering is dikwijls een onderschatting van het verlies en houdt geen rekening met wat nodig is om het financiële evenwicht te herstellen. Vaak laat de volledige betaling van de schadevergoeding jaren op zich wachten, bijvoorbeeld doordat gerechtelijke procedures lopen, en die periode krijgt niet iedereen overbrugd. Dat onderstreept de nood aan een duidelijke, betrouwbare boekhouding. Wie met open boeken correct kan communiceren met de verzekeraar, slaagt er gemakkelijker in voorschotten te krijgen. Een onoverzichtelijke boekhouding is hét recept voor gerechtelijke procedures van jaren. Velen zijn bovendien onderverzekerd, door onwetendheid of om te besparen. In 80 procent van de gevallen wordt een verantwoordelijke voor de schade aangewezen, zoals de leverancier van een machine, op wie dan schade kan worden verhaald. Maar dan volgen ellenlange rechtszaken. Een gezond financieel beleid is de boodschap.' ErR